ECLI:NL:CRVB:2006:AY3790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid medisch oordeel bij intrekking WAO-uitkering wegens vermeende arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen de rechtbank Leeuwarden, die het bezwaar van betrokkene tegen de intrekking van haar WAO-uitkering gegrond verklaarde. Betrokkene werd door het UWV per 21 augustus 2001 als minder dan 15% arbeidsongeschikt beoordeeld, waarna haar uitkering werd ingetrokken. De rechtbank liet betrokkene onderzoeken door twee medisch specialisten, die een chronisch vermoeidheidssyndroom en fibromyalgie vaststelden, met een verminderde belastbaarheid en urenbeperking.
Het UWV voerde in hoger beroep aan dat de deskundigen hun oordeel uitsluitend baseerden op subjectieve klachten en dat de objectiveringseis niet was vervuld. De Raad overwoog dat de diagnoses van chronisch vermoeidheidssyndroom en fibromyalgie niet objectief zijn te onderbouwen en dat de deskundigen onderling niet eenduidig waren over de omvang van de beperkingen. Er was geen objectief-medisch substraat om arbeidsongeschiktheid aan te nemen.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond. Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering bleef daarmee in stand. De Raad achtte geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een afwijking van de objectiveringseis rechtvaardigen.
Deze uitspraak bevestigt de strenge toetsing aan de objectieve medische maatstaf bij vaststelling van arbeidsongeschiktheid en benadrukt het belang van eenduidige, medisch gemotiveerde deskundigenrapporten.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering blijft in stand.