ECLI:NL:CRVB:2006:AY3879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over niet-behandeling aanvraag WAZ-uitkering wegens verstreken beslistermijn
Appellant diende op 2 november 2000 een aanvraag in bij het UWV voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) wegens arbeidsongeschiktheid sinds 10 januari 2000. Het UWV vroeg appellant om aanvullende financiële gegevens, maar de beslistermijn van acht weken was reeds verstreken op het moment dat het UWV om deze aanvulling verzocht.
Het UWV besloot op 4 oktober 2002 de aanvraag niet te behandelen op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV in redelijkheid had kunnen besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV op het moment van het verzoek tot aanvulling van de aanvraag niet meer bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te laten omdat de beslistermijn al was verstreken. Hierdoor was het besluit van 4 oktober 2002 strijdig met de wet en dient het te worden vernietigd. De Raad vernietigt ook de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WAZ-aanvraag buiten behandeling te laten wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.