ECLI:NL:CRVB:2006:AY3885

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2431 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voldoende onderzoek vooraf bij herroeping WAO-uitkering ondanks betwisting betrokkene

De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank die het herroepingsbesluit van een WAO-uitkering ten onrechte onzorgvuldig achtte.

Betrokkene had volgens het UWV onjuiste informatie verstrekt over haar arbeidsverleden als rozenplukster via uitzendbureau Doeba. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek onvoldoende was omdat slechts tien van de negentien opdrachtgevers waren geraadpleegd.

De Centrale Raad van Beroep stelt dat het onderzoek adequaat en zorgvuldig was, mede omdat betrokkene geen controleerbare gegevens aanleverde en het onderzoek aantoonde dat betrokkene niet werkzaam was bij genoemde bedrijven, die bovendien niet in Bleiswijk gevestigd zijn en geen rozen kweken.

De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van het UWV ongegrond, waarmee het herroepingsbesluit in stand blijft.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en het herroepingsbesluit blijft in stand.

Uitspraak

04/2431 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 17 maart 2004, 03/3629 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant,
Datum uitspraak: 12 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. H. Ensing, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan. Betrokkene en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij het bestreden besluit van 22 juli 2003 heeft appellant zijn eerdere besluit van 19 juni 2002 herroepen en bepaald dat betrokkene per 24 juni 2002 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat zij niet verzekerd is voor de WAO. Appellant heeft hieraan, onder verwijzing naar de verklaring van betrokkene tijdens de hoorzitting van 9 oktober 2002, het hierop gevolgde fraudeonderzoek en de verklaring van betrokkene bij de hoorzitting van 5 maart 2003 ten grondslag gelegd dat betrokkene in de periode van 1 mei 2000 tot 25 juni 2001niet via uitzendbureau Doeba als rozenplukster werkzaam is geweest bij rozenkwekerijen in Bleiswijk.
De rechtbank heeft, met bepalingen omtrent proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van appellant onzorgvuldig geweest, omdat slechts navraag is gedaan bij tien van de 19 opdrachtgevers van uitzendbureau Doeba bij wie de naam van betrokkene voorkomt op de bij de facturen gevoegde urenstaten.
Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van die uitspraak bestreden en zich op het standpunt gesteld dat aan het bestreden besluit voldoende onderzoek ten grondslag ligt en dat de resultaten van dit onderzoek ruimschoots voldoende waren om het bestreden besluit op te baseren.
Betrokkene heeft in het verweerschrift herhaald dat zij in de in geding zijnde periode wel degelijk heeft gewerkt bij vele opdrachtgevers van Doeba. Het onderzoek bij tien opdrachtgevers sluit volgens haar niet uit dat zij bij andere opdrachtgevers heeft gewerkt. Uit het onderzoek is gebleken dat de administratie van de ondervraagde inleners niet compleet was en dat die van Doeba ondeugdelijk was. Betrokkene is het met de rechtbank eens dat het onderzoek van appellant onvoldoende is geweest.
In geding is de vraag of de aangevallen uitspraak in rechte stand kan houden. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Met appellant is de Raad van oordeel dat aan het bestreden besluit voldoende onderzoek vooraf is gegaan en dat de beschikbare gegevens ruim voldoende grondslag bieden voor het bestreden besluit. Het is immers in beginsel aan de aanvrager om de voor het recht op uitkering noodzakelijke controleerbare gegevens aan te leveren. Niet alleen heeft betrokkene dat niet gedaan, voor de Raad is op grond van het door appellant ingestelde onderzoek voldoende komen vast te staan dat betrokkene onjuiste informatie heeft verstrekt. In dat verband overweegt hij als volgt.
De door betrokkene gegeven informatie dat zij een jaar lang tot kort voor haar bevalling zonder ziekteverzuim of vakantiedagen gedurende gemiddeld 54 uren per week heeft gewerkt in fysiek zware arbeid als rozenplukster, heeft terecht vragen bij appellant opgeroepen. Op de hoorzitting gaf betrokkene vage en tegenstrijdige antwoorden en kon zij geen naam noemen van een bedrijf waar zij heeft gewerkt en evenmin die van een leidinggevende of collega. Slechts wist zij te vertellen dat zij heeft gewerkt in Bleiswijk. Het onderzoek dat appellant vervolgens heeft gedaan bij het administratiekantoor van uitzendbureau Doeba, bij tien van de 19 inlenende bedrijven waar betrokkene volgens het administratiekantoor zou hebben gewerkt alsmede bij de eigenaar van Doeba is naar het oordeel van de Raad adequaat en zorgvuldig. Gebleken is dat geen van de 19 inlenende bedrijven is gevestigd in Bleiswijk en dat bij geen van deze bedrijven rozen worden gekweekt. Op grond van een steekproef, genomen bij tien van de 19 bedrijven, is zeer onaannemelijk dat betrokkene daar heeft gewerkt. Zes van de tien bedrijven verklaarden bij voorbeeld dat zij geen vrouwen hadden ingeleend. De eigenaar van Doeba heeft verklaard dat feitelijk niet meer is na te gaan waar een werknemer heeft gewerkt omdat de urenbriefjes zijn weggegooid en de urenlijsten lukraak zijn ingevuld. Betrokkene is geconfronteerd met de resultaten van het onderzoek; zij heeft geen bewijzen kunnen overleggen die twijfel wekken aan de uitkomsten van het onderzoek. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte een verdergaand onderzoek bij de overige negen bedrijven noodzakelijk geacht.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) J.J. Janssen.
RG