ECLI:NL:CRVB:2006:AY3900
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak RSI-schadevergoeding ambtenaar Universiteit Utrecht
Verzoekster was werkzaam bij de faculteit ruimtelijke wetenschappen van de Universiteit Utrecht en stelde de universiteit aansprakelijk voor RSI-klachten die zij tijdens haar werkzaamheden heeft opgelopen. Het College van bestuur weigerde aanvankelijk een schadevergoeding toe te kennen, een besluit dat na bezwaar werd gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster gegrond, vernietigde het besluit en gaf het College van bestuur opdracht een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen dat verzoekster voldoende aannemelijk had gemaakt dat haar RSI-klachten in overwegende mate door haar werkzaamheden werden veroorzaakt. Het College moest aantonen dat aan de zorgplicht was voldaan of dat de schade het gevolg was van opzet of bewuste roekeloosheid.
Het College nam een nieuw besluit waarin opnieuw werd geweigerd tot vergoeding over te gaan, met de motivering dat aan de zorgplicht was voldaan, zowel preventief als concreet ten aanzien van de werkplek en begeleiding van verzoekster.
Verzoekster vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening in het hoger beroep, stellende dat het College nog niet had vastgesteld dat zij had voldaan aan haar stelplicht. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat geen spoedeisend belang bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu het College inmiddels een besluit had genomen en grieven tegen dit besluit in de bodemprocedure kunnen worden behandeld.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.