ECLI:NL:CRVB:2006:AY3963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit arbeidsongeschiktheid en in stand laten rechtsgevolgen
Betrokkene was werkzaam als productiemedewerker en viel definitief uit wegens hartklachten en diabetes. Hij ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van een schatting van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV herzag deze schatting later naar 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid, wat betrokkene betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep werd aangevoerd dat onvoldoende rekening was gehouden met de medische beperkingen van betrokkene. De Raad benoemde een deskundige die de eerdere beoordelingen grotendeels bevestigde, maar constateerde dat de motivering van de schatting met behulp van het CBBS onvoldoende was toegelicht. Hierdoor werd het besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb.
De Raad oordeelde echter dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven op grond van artikel 8:72 Awb Pro. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellanten. De uitspraak bevestigt het belang van een deugdelijke motivering bij besluiten over arbeidsongeschiktheid, ook als de inhoudelijke beoordeling juist is.
Uitkomst: Het besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.