ECLI:NL:CRVB:2006:AY4010

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6243 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij UWV

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV, maar dit bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift na de wettelijke termijn werd ingediend. De rechtbank Amsterdam heeft dit oordeel bevestigd en de Raad heeft het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard.

Appellante stelde dat zij het bezwaarschrift op 22 februari 2003 had gepost en verwees naar medische klachten en zorg voor haar echtgenoot als verzachtende omstandigheden. De Raad oordeelde echter dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is verzonden en dat er geen omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de termijnoverschrijding wordt verontschuldigd.

De Raad concludeert dat het UWV het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en ziet geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding; het hoger beroep wordt verworpen.

Uitspraak

04/6243 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], Frankrijk (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2004, 03/2428 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft de Raad een nader schrijven doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Appellante is – zoals tevoren was bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 24 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv appellantes bezwaar tegen een besluit van 14 januari 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat de bewaartermijn eindigde op 25 februari 2003, dat het bezwaarschrift blijkens het poststempel is verzonden op 26 februari 2003 en dat dit door het Uwv is ontvangen op 28 februari 2003.
De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard, onder overweging dat door appellante geen gronden zijn aangevoerd die tot de slotsom kunnen leiden dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat zij haar bezwaar, gedateerd
22 februari 2003, in haar dorp op de post heeft gedaan en dat haar niet bekend is wanneer deze post wordt opgehaald en verzonden. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij diverse medische klachten heeft, waaronder hoofdpijn/migraine, dat zij haar echtgenoot moet verzorgen en dat zij veel moet rusten.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt haar bezwaarschrift tijdig ter post te hebben bezorgd. Op geen enkele wijze is aannemelijk gemaakt dat zij de brief met het bezwaarschrift eerder dan 26 februari 2003, de datum van het poststempel, in de brievenbus heeft gedeponeerd.
Voorts ziet de Raad in de door appellante naar voren gebracht omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat zij gedurende de bezwaartermijn voortdurend buiten staat is geweest een bezwaarschrift bij het Uwv in te dienen dan wel anderszins niet in verzuim is geweest.
De Raad is dan ook evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv appellantes bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.
GdJ