ECLI:NL:CRVB:2006:AY4047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen niet tijdig genomen besluit ouderdomspensioen niet-ontvankelijk verklaard
Appellante betoogde dat de Sociale verzekeringsbank (Svb) niet tijdig een besluit had genomen op haar aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Volgens appellante had zij op 10 april 2000 een aanvraag ingediend en daarna een rappelbrief verzonden. De Svb ontkende ontvangst van deze stukken en kende uiteindelijk bij besluit van 15 november 2001 een ouderdomspensioen toe met terugwerkende kracht vanaf september 2000.
Appellante stelde bezwaar in tegen het vermeende niet tijdig nemen van een besluit, maar de Svb verklaarde dit bezwaar ongegrond omdat geen aanvraag was ontvangen. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij de aanvraag had verzonden, waardoor geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 6:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat niet vaststaat dat vóór het bezwaar een aanvraag was ingediend, zodat het bezwaar prematuur is en niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd. De Raad bepaalt zelf dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en veroordeelt de Svb tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ingediende aanvraag.