ECLI:NL:CRVB:2006:AY4047

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4514 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 3 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen niet tijdig genomen besluit ouderdomspensioen niet-ontvankelijk verklaard

Appellante betoogde dat de Sociale verzekeringsbank (Svb) niet tijdig een besluit had genomen op haar aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Volgens appellante had zij op 10 april 2000 een aanvraag ingediend en daarna een rappelbrief verzonden. De Svb ontkende ontvangst van deze stukken en kende uiteindelijk bij besluit van 15 november 2001 een ouderdomspensioen toe met terugwerkende kracht vanaf september 2000.

Appellante stelde bezwaar in tegen het vermeende niet tijdig nemen van een besluit, maar de Svb verklaarde dit bezwaar ongegrond omdat geen aanvraag was ontvangen. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij de aanvraag had verzonden, waardoor geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 6:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat niet vaststaat dat vóór het bezwaar een aanvraag was ingediend, zodat het bezwaar prematuur is en niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd. De Raad bepaalt zelf dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en veroordeelt de Svb tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ingediende aanvraag.

Uitspraak

04/4514 AOW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2004, 03/2318, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 14 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2006. Partijen zijn daarbij, met kennisgeving, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank
Appellante, geboren [in] 1935, is op 15 januari 1970 gehuwd met [naam echtgenoot], geboren [in] 1933. De Svb heeft in 1998 aan de echtgenoot van appellante een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend alsmede een toeslag, omdat appellante toen nog jonger dan 65 jaar was.
Bij brief van 18 augustus 2001, door de Svb ontvangen op 24 augustus 2001, heeft appellante een bezwaarschrift ingediend, waarin wordt aangegeven dat nog geen beslissing is ontvangen op haar aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de AOW. Deze aanvraag zou op 10 april 2000 ingediend zijn en daarna zou op 2 september 2000 nog een rappelbrief verzonden zijn door appellante.
Naar aanleiding van een op 22 augustus 2001 ingediende (nieuwe) aanvraag heeft de Svb bij besluit van 15 november 2001, met ingang van september 2000 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW aan appellante toegekend ter hoogte van 44% van het gehuwdenpensioen. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.
Bij besluit van 20 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het bezwaar wordt aangemerkt als te zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een aanvraag, maar dat de aanvraag van appellante van 10 april 2000 en haar rappelbrief van 2 september 2000 niet zijn ontvangen en dat, nu appellante de verzending van genoemde stukken niet kan aantonen, niet gesproken kan worden van het niet tijdig nemen van een beslissing.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, overwegende dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 10 april 2000 een aanvraagformulier heeft verzonden aan de Svb. Nu de Svb niet beschikte over een aanvraag van appellante kon er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van een situatie zoals omschreven in artikel 6:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad overweegt het volgende. Nu niet als vaststaand kan worden aangenomen dat vóór het indienen van het bezwaar reeds een aanvraag om een ouderdomspensioen door of namens appellante was ingediend, is geen sprake van een situatie waarin niet tijdig een besluit is genomen en moet het ingediende bezwaar, mede gelet op artikel 6:10 van Pro de Awb, als prematuur aangemerkt worden. Dit betekent dat de Svb het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren, zodat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak – waarbij dat besluit is gehandhaafd – niet in stand kunnen blijven. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorziend, te bepalen dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Verklaart appellantes bezwaar tegen het besluit van 15 november 2001 niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht ad € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.