ECLI:NL:CRVB:2006:AY4133

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6035 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis ondanks nieuw gebleken feiten

Appellante verzocht om herziening van een eerder genomen besluit van het UWV waarin haar aanvraag voor een WW-uitkering werd afgewezen wegens het niet voldoen aan de referte-eis. Deze eis houdt in dat men in de 39 weken voorafgaand aan de werkloosheid in ten minste 26 weken arbeid heeft verricht.

Appellante stelde dat zij door rechterlijke uitspraken recht had op doorbetaling van loon tot 30 maart 1998 en dat uren vanaf 27 april 1998 gelijkgesteld moesten worden met gewerkte uren, waardoor zij alsnog aan de referte-eis zou voldoen. Het UWV handhaafde echter het eerdere besluit omdat ook met deze nieuwe feiten niet aan de referte-eis werd voldaan.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het recht op loon tot 30 maart 1998 weliswaar een nieuw feit is, maar dat dit niet leidt tot herziening van het oorspronkelijke besluit. Verder werd geoordeeld dat andere aangevoerde omstandigheden geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak werd dan ook bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de referte-eis ondanks nieuw gebleken feiten.

Uitspraak

05/6035 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 augustus 2005, 05/829 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 21 oktober 1998 heeft het Uwv appellante op haar aanvraag meegedeeld dat zij met ingang van 1 september 1998 geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat zij in de 39 weken voorafgaand aan de werkloosheid in tenminste 26 weken arbeid als werknemer heeft verricht, de zogenoemde referte-eis. Het Uwv heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd. Het hiertegen ingediende beroep is ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad op 4 september 2002, LJN AF3794, RSV 2002/260, bevestigd.
1.2. Appellante heeft in november 2004 wederom gevraagd haar met ingang van 1 september 1998 een WW-uitkering toe te kennen. Volgens appellante voldoet zij wel aan de referte-eis, omdat zij, tengevolge van de vonnissen van de rechtbank van 24 september 2003 en 9 juni 2004, tot 30 maart 1998 recht heeft op doorbetaling van loon en omdat de uren vanaf 27 april 1998 met gewerkte uren gelijk gesteld dienen te worden.
1.3. Bij besluit van 11 november 2004 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat de feiten en omstandigheden niet dusdanig zijn veranderd dat een andere beslissing dient te volgen. Dit besluit is, na bezwaar, bij het bestreden besluit van 9 februari 2005 gehandhaafd. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat de feitelijke gegevens die ten grondslag liggen aan de eerdere beoordeling enigszins gewijzigd zijn, maar dat ook als wordt uitgegaan van een loondoorbetalingsplicht tot 30 maart 1998 niet aan de referte-eis wordt voldaan.Volgens het Uwv heeft appellante in de periode vanaf 27 april 1998 niet gewerkt en tengevolge van een voor haar risico komende omstandigheid geen loon ontvangen, zodat voor een gelijkstelling met gewerkte uren geen wettelijke grondslag aanwezig is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is sprake van een nieuw feit, maar hoefde het Uwv op basis daarvan niet tot herziening van het besluit van 21 oktober 1998 over te gaan. Ten aanzien van de periode van 27 april 1998 tot en met 1 september 1998 zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die niet reeds eerder bekend waren of behoorden te zijn.
3. De Raad overweegt het volgende.
3.1. Het verzoek van appellante van november 2004 dient te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 21 oktober 1998. Dit besluit is, tengevolge van de uitspraak van deze Raad van 4 september 2002, in rechte onaantastbaar geworden.
3.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing alsof het betrof een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
3.3. De Raad is van oordeel dat het uit de vonnissen van de rechtbank voortvloeiende recht op loon tot 30 maart 1998 een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Daarin behoefde het Uwv echter geen aanleiding te zien het besluit van 21 oktober 1998 te herzien, reeds omdat appellante, ook als wordt uitgegaan van een recht op loon tot 30 maart 1998, niet aan de referte-eis voldoet.
3.4. Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv gehouden was terug te komen van het besluit van 21 oktober 1998 heeft geen betrekking op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Als zodanig kan evenmin haar stelling worden beschouwd, dat zij wel aan de referte-eis zou hebben voldaan indien rekening was gehouden met haar ziekmelding en de kantonrechter sneller op het ontbindingsverzoek zou hebben beslist. De Raad merkt hierbij - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 december 2003, LJN AN9805, USZ 2004/52 - nog op dat een (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol meer speelt bij de beoordeling van een verzoek om terug te komen van dat besluit.
4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep kan dan ook niet slagen en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) L. Karssenberg.