ECLI:NL:CRVB:2006:AY4287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-premieschatting bij ondeugdelijke loonadministratie en werkzaamheden vanaf 1999
Appellant, een eenmanszaak gericht op gevelonderhoud, werd door het UWV onderzocht nadat bleek dat een persoon met WAO-uitkering werkzaamheden verrichtte voor hem. Uit het onderzoek bleek dat appellant vanaf 1 januari 1999 personeel in dienst had, waaronder [V.], die werkzaamheden verrichtte zonder dat dit in de loonadministratie was verantwoord. Het UWV stelde daarop de gedifferentieerde WAO-premie vast voor 1999 tot en met 2004 op het minimumniveau voor kleine werkgevers en legde correctienota's op.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit ongegrond maar vernietigde het besluit over de correctienota's wegens onvoldoende onderbouwing van het aantal loondagen en vergoeding. Het UWV stelde vervolgens het aantal loondagen en vergoeding bij in een nieuw besluit. In hoger beroep betoogde appellant dat [V.] pas in 2001 was begonnen met werken, maar de Raad stelde vast dat het opsporingsonderzoek en verklaringen voldoende bewijs leverden dat werkzaamheden vanaf 1999 plaatsvonden.
De Raad oordeelde dat appellant terecht als kleine werkgever werd aangemerkt en dat de schatting van de premie op goede gronden was gebaseerd vanwege het ontbreken van een deugdelijke loonadministratie. Het beroep tegen het eerste en het derde besluit werd ongegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het tweede besluit niet-ontvankelijk werd verklaard omdat dit besluit was vervangen. De Raad wees proceskosten af en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het tweede besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de andere besluiten is ongegrond verklaard, waarbij de premies en correctienota's zijn bevestigd.