ECLI:NL:CRVB:2006:AY4327
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van de Ham
- C. van Viegen
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1989 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) vermoedde dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde en startte een onderzoek, waarbij sociale recherche rapporten en processen-verbaal werden opgesteld.
De Svb trok de uitkering met terugwerkende kracht in per 30 september 1998, omdat appellant en betrokkene samenwoonden en niet voldeden aan de uitzonderingsgrond van verzorging van een hulpbehoevende. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant en betrokkene hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat er sprake was van wederzijdse zorg, zoals blijkt uit gezamenlijke bankrekening, huishoudpotje, wederzijdse verzorging en gezamenlijke maaltijden. Er was geen zakelijke verhouding, maar een feitelijke gezamenlijke huishouding.
De Raad bevestigt dat het recht op nabestaandenuitkering eindigde per 31 oktober 1998 en dat de intrekking door de Svb terecht is toegepast. Er zijn geen dringende redenen om van de intrekking af te zien. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.