ECLI:NL:CRVB:2006:AY4583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht kinderbijslagtoekenning zonder bijzonder geval
Appellant, vader van twee kinderen, ontving kinderbijslag voor zijn oudste kind maar niet voor zijn dochter Annie, geboren in 1993. Pas in 2003 ontdekte hij dat hij geen kinderbijslag ontving voor Annie en deed toen telefonisch een aanvraag. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende de kinderbijslag toe met ingang van het eerste kwartaal van 2002, maximaal één jaar terugwerkend, en wees verdere terugwerkende kracht af omdat er geen sprake was van een bijzonder geval.
Appellant voerde aan dat het recht op kinderbijslag één ondeelbaar recht is dat alleen verhoogd wordt bij een nieuw kind en dat hij niet verplicht was een mutatieformulier in te dienen. Hij stelde ook dat er sprake was van financiële hardheid. De Raad oordeelde dat het recht op kinderbijslag per kind wordt vastgesteld en dat het geschil terecht is beoordeeld op grond van artikel 14 AKW Pro, niet artikel 15.
De Raad vond dat de late aanvraag aan appellant te wijten was en dat hij voldoende bekend had kunnen zijn met het ontbreken van kinderbijslag voor Annie. Er was geen reden om een bijzonder geval aan te nemen dat een verdere terugwerkende kracht zou rechtvaardigen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat kinderbijslag voor Annie pas met ingang van het eerste kwartaal van 2002 wordt toegekend en wijst het hoger beroep af.