ECLI:NL:CRVB:2006:AY4792

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5382 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na weigering passende arbeid

Appellant was sinds 1992 werkzaam als ondersteunend medewerker bij een werkgever en werd in januari 2004 geplaatst bij een boekbinderij, rekening houdend met zijn medische beperkingen. Hij weigerde echter het aangeboden werk te verrichten en meldde zich ziek, ondanks dat een bedrijfsarts hem geschikt verklaarde voor de functie. Na waarschuwingen en een gesprek waarin hem werd uitgelegd dat de plaatsing passend was, bleef appellant weigeren te werken of een second opinion aan te vragen. Vervolgens werd zijn dienstverband per 7 juni 2004 beëindigd.

Het UWV weigerde een WW-uitkering toe te kennen omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door zijn weigering om passend werk te aanvaarden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat het werk schadelijk was voor zijn gezondheid. Appellant voerde in hoger beroep dezelfde argumenten aan en stelde dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij recht had op een andere, meer passende functie.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank volledig. De Raad stelde vast dat appellant voldoende was gewaarschuwd voor de consequenties van zijn weigering en dat er geen bewijs was van een toezegging voor een andere functie. Er waren geen omstandigheden die tot verminderde verwijtbaarheid leidden. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en wees een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door weigering passend werk.

Uitspraak

05/5382 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 juli 2005, 05/347 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door G.M. Folkers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een meer uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.
2.1. Appellant was per 1 oktober 1992 als ondersteunend medewerker werkzaam bij de [naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: [naam werkgever]). Per 12 januari 2004 is hij, rekening houdend met zijn medische beperkingen en mede op advies van een reïntegratiebedrijf, geplaatst bij de boekbinderij van de [naam boekbinderij]. Appellant is daar echter niet begonnen. Na een waarschuwingsbrief van 21 januari 2004 -volgens welke brief hij zich de volgende dag op het werk diende te melden-, is hij op 26 januari 2004 aldaar verschenen en heeft hij nog dezelfde dag medegedeeld dat hij het desbetreffende werk niet wenste te verrichten. Op 27 januari 2004 is aan appellant opnieuw een schriftelijke waarschuwing gezonden met de mededeling dat hij op het werk moest verschijnen. Appellant heeft zich vervolgens ziek gemeld, maar is door de bedrijfsarts geschikt verklaard voor de hier bedoelde arbeid. In een gesprek met medewerkers van [naam werkgever], waarin hem nogmaals is uitgelegd dat de plaatsing als passend moet worden aangemerkt, is appellant voor de keuze gesteld om ofwel aan het werk te gaan ofwel een second opinion aan te vragen. Appellant heeft nadien medegedeeld voor geen van beide opties te kiezen. Bij brief van 3 maart 2004 heeft [naam werkgever] het dienstverband met appellant vervolgens per 7 juni 2004 beëindigd.
2.2. Bij besluit van 28 mei 2004 heeft het Uwv appellant medegedeeld, dat de gevraagde WW-uitkering blijvend geheel wordt geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van
8 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv onder meer overwogen, dat het voor appellant na verschillende mislukte plaatsingen een laatste kans was en dat appellant in voldoende mate was gewaarschuwd, zodat hij zich bewust kon zijn van de consequenties van de door hem genomen beslissing. Het Uwv heeft zich hierbij gebaseerd op artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.
3. Het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer geoordeeld, dat er onvoldoende basis is om de stelling van appellant dat hij bij de boekbinderij tot schade van zijn gezondheid zou werken, voor juist te houden. Door te volharden in de weigering om aan de plaatsing gevolg te geven heeft appellant het bepaalde in de hiervoor genoemde artikelen op zich van toepassing doen worden.
4. Appellant heeft in hoger beroep voornamelijk de in eerste aanleg aangevoerde stellingen herhaald. Tevens is opgemerkt dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij [naam werkgever] mocht houden aan een hem gedane toezegging dat hij in een andere zijns inziens meer passende functie geplaatst zou worden.
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1. De Raad kan hetgeen door de rechtbank is overwogen en beslist geheel onderschrijven. Appellant is, ook naar het oordeel van de Raad, voldoende gewezen op de consequenties van het blijven weigeren om bij de [naam boekbinderij] te gaan werken en hij kon ook overigens begrijpen dat, gezien de vele eerdere mislukte plaatsingen, het volharden in die weigering tot ontslag zou leiden. Van een door appellant bedoelde toezegging is de Raad niet, althans onvoldoende, gebleken.
5.2. Het voorgaande betekent dat het Uwv met recht heeft geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Van omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, is de Raad niet gebleken. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht omtrent een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.
(get.) H. Bolt.
(get.) M.D.F. de Moor.