ECLI:NL:CRVB:2006:AY4792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na weigering passende arbeid
Appellant was sinds 1992 werkzaam als ondersteunend medewerker bij een werkgever en werd in januari 2004 geplaatst bij een boekbinderij, rekening houdend met zijn medische beperkingen. Hij weigerde echter het aangeboden werk te verrichten en meldde zich ziek, ondanks dat een bedrijfsarts hem geschikt verklaarde voor de functie. Na waarschuwingen en een gesprek waarin hem werd uitgelegd dat de plaatsing passend was, bleef appellant weigeren te werken of een second opinion aan te vragen. Vervolgens werd zijn dienstverband per 7 juni 2004 beëindigd.
Het UWV weigerde een WW-uitkering toe te kennen omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door zijn weigering om passend werk te aanvaarden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat het werk schadelijk was voor zijn gezondheid. Appellant voerde in hoger beroep dezelfde argumenten aan en stelde dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij recht had op een andere, meer passende functie.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank volledig. De Raad stelde vast dat appellant voldoende was gewaarschuwd voor de consequenties van zijn weigering en dat er geen bewijs was van een toezegging voor een andere functie. Er waren geen omstandigheden die tot verminderde verwijtbaarheid leidden. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door weigering passend werk.