ECLI:NL:CRVB:2006:AY4794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, oorspronkelijk vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid, te herzien naar minder dan 15% en later naar 15-25%. De rechtbank Utrecht vernietigde het eerste besluit en stelde de herziening vast op 15-25% arbeidsongeschiktheid. Tegen dit besluit stelde appellante beroep in, waarbij zij onder meer aanvoerde dat haar lage opleidingsniveau en gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal haar zouden belemmeren om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek voldoende was en dat er geen aanleiding was voor een nieuw onderzoek. Ook vond de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten dat appellante vanwege taal- en opleidingsproblemen de functies niet kon vervullen. Het UWV handhaafde het standpunt niet volledig, mede op basis van een memo waarin werd erkend dat het maatmanloon te laag was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en acht het hoger beroep van appellante ongegrond. De Raad ziet geen aanleiding om de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid te herzien en benadrukt dat de uitspraak van de rechtbank kracht van gewijsde heeft gekregen. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.