ECLI:NL:CRVB:2006:AY4795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens loondoorbetalingsverplichting en faillissement werkgever
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar WAO-uitkering door het Uwv, nadat aan haar werkgever een loondoorbetalingsverplichting van acht maanden was opgelegd wegens onvoldoende reïntegratie-inspanningen. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak.
De Raad overweegt dat artikel 34a, tweede lid, van de WAO onmiskenbaar bepaalt dat een aanvraag om een WAO-uitkering moet worden afgewezen indien de werkgever een loondoorbetalingsverplichting heeft opgelegd gekregen op grond van artikel 71a, negende lid, WAO. Het faillissement van de werkgever en diens onvermogen tot loonbetaling spelen hierbij geen rol.
Appellante voerde aan dat op grond van beginselen van behoorlijk bestuur en andere rechtsregels haar aanvraag alsnog in behandeling moest worden genomen, maar de Raad wijst dit af. Er is geen wettelijke mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van de strikte toepassing van artikel 34a, tweede lid, WAO. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en toepassing van artikel 8:75 Awb Pro wordt niet gegrond geacht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkering wegens de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever ondanks het faillissement.