ECLI:NL:CRVB:2006:AY4809

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1962 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late griffierechtbetaling

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Appellant betwistte de ontvangst van de aanmaningsbrief en stelde dat de betaling tijdig was verricht, maar door onduidelijke redenen pas later werd bijgeschreven.

De Raad heeft onderzocht of de brief van 3 mei 2005 daadwerkelijk was verzonden en ontvangen, maar door het tijdsverloop kon dit niet worden vastgesteld. Gezien het belang van toegang tot de rechter werd het risico hiervan niet bij appellant gelegd. De Raad concludeerde dat appellant slechts op 12 april was gewezen op de griffierechtverplichting zonder einddatum en dat het te laat bijgeschreven griffierecht hem niet kon worden tegengeworpen.

Daarom werd het verzet gegrond verklaard, het onderzoek voortgezet en het UWV veroordeeld in de kosten van het verzet, begroot op € 644,-. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 12 juli 2006.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens te late griffierechtbetaling is gegrond verklaard en het UWV is veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

05/1962 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 februari 2005, 04/463 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van
7 september 2005 heeft de Raad het door mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, namens appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak is namens appellant op 26 oktober 2005 verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 31 mei 2006. Appellant is verschenen bij mr. Janszen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De uitspraak van de Raad van 7 september 2005 berust hierop, dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is betaald. Daarbij is vastgesteld
a. dat appellant bij brief van 12 april 2005 is gewezen op de verschuldigdheid van een griffierecht van € 103,- bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.
b. dat appellant vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 3 mei 2005 er op is gewezen dat het griffierecht binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie dient te zijn gestort, en
c. dat het griffierecht op 2 juni 2005 op de rekening van de Raad is bijgeschreven, derhalve (één dag) te laat.
2. In verzet heeft de gemachtigde van appellant bestreden dat hij de brief van 3 mei 2005 heeft ontvangen en dat die brief aan zijn kantoor is aangeboden. Hij stelt dat hij op 6 mei 2005 opdracht heeft gegeven om het griffierecht door middel van de acceptgirokaart te betalen en dat die betaling om hem onduidelijke redenen eerst op 6 juni 2005 is bijgeschreven op de rekening van de Raad.
3. Na de behandeling van het verzet ter zitting heeft de Raad getracht te achterhalen of en wanneer de voor aangetekende verzending door het postkantoor geaccepteerde brief van 3 mei 2005, is verzonden en of deze op enig moment is aangeboden aan het kantooradres van de gemachtigde van appellant. Door het tijdsverloop is dat echter niet meer na te gaan. Het risico daarvan dient, mede gelet op het grote belang dat moet worden gehecht aan de toegang tot de rechter, niet voor rekening van appellant te worden gebracht.
4. De Raad dient er daarom van uit te gaan dat slechts de in de brief van 12 april 2005 genoemde verplichting om het griffierecht te betalen onder de aandacht van appellant is gebracht, zonder dat daarbij een einddatum is genoemd. Het overschrijden van een niet bekende termijn waarbinnen het griffierecht zou moeten worden bijgeschreven, kan aan appellant dan ook niet worden tegengeworpen.
5. Gelet op het voorgaande dient het verzet gegrond te worden verklaard en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
6. De Raad acht termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de kosten van het verzet, begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant, begroot op € 644,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveeen als voorzitter en H.G. Rottier en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.