ECLI:NL:CRVB:2006:AY4815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging maatregel WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieplicht zonder zorgvuldig onderzoek
Appellant ontving een WW-uitkering nadat zijn werkgever failliet was gegaan en werkte tijdelijk 19 uur per week bij een opvolgend werkgever met uitzicht op een voltijdse aanstelling per september 2004. Het UWV legde een maatregel van 20% gedurende 16 weken op wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten in de periode 10 mei tot 6 juni 2004. Appellant had in die periode geen sollicitaties verricht, maar voerde aan dat hij druk was met het opstarten van het bedrijf en dat hij op 12 juni alsnog sollicitaties had gedaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV geen zorgvuldig onderzoek had verricht naar de bijzondere omstandigheden van appellant, zoals de tijdelijke dienstverband en de toezegging van een voltijdse baan. Tevens was niet gebleken dat deze omstandigheden in de besluitvorming waren betrokken. Hierdoor kon het besluit niet in stand blijven.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot een maatregel van 20% op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie wordt vernietigd wegens gebrek aan zorgvuldig onderzoek.