ECLI:NL:CRVB:2006:AY4817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet behouden passende arbeid door eigen toedoen
Appellante, laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster pluimvee, staakte haar arbeid in januari 2000 vanwege rugklachten. Het UWV weigerde haar een WW-uitkering per 1 januari 2002 omdat zij passende arbeid die haar werkgever aanbood niet had geaccepteerd. Deze arbeid viel binnen haar medische beperkingen en was beschikbaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, waarbij werd bevestigd dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat het werk passend was. Appellante stelde in hoger beroep dat zij het aangepaste werk niet kon volhouden vanwege haar rugklachten, maar gaf geen aanvullende medische onderbouwing.
De Raad oordeelt dat het UWV de beperkingen niet heeft onderschat en dat het aangepaste werk daadwerkelijk beschikbaar was. De brief van de bedrijfsarts die appellante volledig arbeidsongeschikt achtte, bood geen steun voor het onvermogen om het aangepaste werk te verrichten. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat appellante passende arbeid niet heeft behouden door eigen toedoen.