ECLI:NL:CRVB:2006:AY4832
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering en beëindiging ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was sinds december 1999 werkzaam bij een werkgever en meldde zich in augustus 2001 ziek vanwege rugklachten. Gedurende de periode tot juli 2002 werkte zij afwisselend gedeeltelijk vanwege arbeidsongeschiktheid. Op 1 juli 2002 meldde zij zich hersteld, waarna haar arbeidsovereenkomst werd ontbonden en zij een WW-uitkering ontving op basis van 20 uur arbeidsverlies.
In oktober 2002 meldde appellante zich alsnog ziek en vroeg zij een WAO-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de vereiste wachttijd van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid niet was vervuld. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde na uitgebreid medisch onderzoek dat er geen ernstige beperkingen waren die werkhervatting in de weg stonden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende onderzoek had gedaan en dat de medische grondslag voor het besluit deugde. Ook de beëindiging van het ziekengeld per 20 december 2002 werd bevestigd, aangezien de medische beoordeling aangaf dat appellante vanaf die datum niet meer ongeschikt was voor haar werk.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van ernstige psychische klachten en onvoldoende medisch onderzoek, maar de Raad vond deze argumenten onvoldoende onderbouwd en zag geen aanleiding tot het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. De aangevallen uitspraken werden dan ook bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en de beëindiging van het ziekengeld op basis van voldoende medisch onderzoek.