ECLI:NL:CRVB:2006:AY4867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Veroordeling Sociale verzekeringsbank in proceskosten na intrekking hoger beroep
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Tijdens de procedure trok de Sociale verzekeringsbank het hoger beroep in. Betrokkene verzocht daarop om vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten.
De Raad stelde vast dat de rechtbank reeds een onherroepelijk oordeel had gegeven over de proceskosten in eerste aanleg, inclusief het griffierecht en de kosten van DNA-rapportages. Het hoger beroep van betrokkene was niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig betalen van griffierecht, waardoor deze kosten niet opnieuw konden worden gevorderd.
De Raad veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van de proceskosten die betrokkene redelijkerwijs in hoger beroep had moeten maken, begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand. Eigen bijdragen van betrokkene kwamen niet voor vergoeding in aanmerking. Het betaalde griffierecht in het eerdere hoger beroep kwam ook niet voor vergoeding in deze procedure in aanmerking.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 juli 2006, waarbij geen rechtsmiddel openstaat.
Uitkomst: De Sociale verzekeringsbank wordt veroordeeld tot betaling van € 322,-- aan proceskosten aan betrokkene.