AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij intrekking WAO-uitkering
Appellant had een WAO-uitkering toegekend gekregen met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het Uwv trok deze uitkering per 1 september 2001 in, waarna de rechtbank het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond verklaarde. In hoger beroep stelde appellant dat de uitkering over de jaren 2001 tot 2003 nog niet was uitbetaald.
Tijdens de procedure bracht het Uwv een besluit uit van 3 juni 2005 waarin werd medegedeeld dat de WAO-uitkering ongewijzigd werd voortgezet. De Raad stelde vast dat met dit besluit geheel aan de bezwaren van appellant was tegemoetgekomen. Omdat het bestreden besluit ziet op de intrekking van het recht op uitkering en niet op de uitbetaling, en appellant geen verzoek tot schadevergoeding had ingediend, oordeelde de Raad dat appellant geen procesbelang meer had.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.
Uitspraak
03/3422 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juni 2003, 02/3418 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en, daaropvolgend, een vraag van de Raad beantwoord.
Namens appellant heeft mr. Karkache, voornoemd, de gronden van het hoger beroep aangevuld en een nader stuk ingediend.
Naar aanleiding van dit schrijven heeft het Uwv een besluit in het geding gebracht van 3 juni 2005, waarbij aan appellant is medegedeeld dat zijn WAO-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Desgevraagd is hierop namens appellant gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Namens appellant is verschenen mr. Karkache. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Aan appellant is met ingang van 24 augustus 1999 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 6 juli 2001 heeft het Uwv appellants uitkering met ingang van 1 september 2001 ingetrokken. Bij besluit van 29 juli 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het besluit van 6 juli 2001 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Het Uwv heeft bij besluit van 3 juni 2005 appellants uitkering ingevolge de WAO per 1 september 2001 ongewijzigd voortgezet.
Desgevraagd is namens appellant meegedeeld dat hij geen reden ziet het hoger beroep in te trekken nu het Uwv de uitkering over de jaren 2001 tot juni 2003 (nog) niet heeft uitbetaald.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt vast dat met het besluit van 3 juni 2005 het Uwv geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen. De namens appellant gestelde gedeeltelijke niet-uitbetaling van de uitkering – wat daar ook van zij – kan hieraan niet afdoen, nu het bestreden besluit ziet op de intrekking van het recht op uitkering en niet op de uitbetaling ervan.
De Raad stelt verder vast dat namens appellant geen verzoek is ingediend om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. De Raad concludeert dat appellant bij zijn hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank geen (proces)belang (meer) heeft, zodat dit beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal
€ 1.127,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.