ECLI:NL:CRVB:2006:AY5003

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5230 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdig indienen beroepschrift in WAO-uitkeringszaak

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake zijn recht op een WAO-uitkering en ziekengeld. De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen had een uitspraak gedaan waartegen appellant hoger beroep instelde.

De Raad van 18 november 2005 verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van het beroepschrift. Appellant deed hiertegen verzet en verzocht om vernietiging van die uitspraak en een nieuwe, gunstige beschikking.

Tijdens de zitting op 21 april 2006 waren partijen niet aanwezig. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de door appellant aangevoerde redenen, waaronder die van zijn echtgenote, onvoldoende waren om het verzuim te rechtvaardigen. Er waren geen nieuwe gronden aangevoerd die het eerdere oordeel konden wijzigen.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 juli 2006.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdig indienen van het beroepschrift.

Uitspraak

05/5230 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2005, 04/629 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Datum uitspraak: 14 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van
18 november 2005 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 18 november 2005 heeft appellant verzet gedaan.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 21 april 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 18 november 2005 berust hierop, dat het beroepschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend en dat hetgeen de echtgenote van appellant als reden voor de termijnoverschrijding heeft aangevoerd geen grond bevat op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft appellant de Raad onder meer verzocht de uitspraak te vernietigen en een nieuwe – gunstige – beschikking af te geven betreffende zijn recht op een WAO-uitkering en ziekengeld. Appellant heeft geen gronden ingediend die zien op het niet tijdig indienen van het beroepschrift.
De Raad is derhalve van oordeel dat appellant in verzet geen gronden heeft aangevoerd die afbreuk doen aan de uitspraak waartegen appellant in verzet is gekomen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.