ECLI:NL:CRVB:2006:AY5131

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2044 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging ziekengeld wegens ontbreken objectiveerbare ziekte of gebrek

Appellante verzocht om herziening van het besluit van het UWV uit 1999 waarbij haar ziekengeld werd beëindigd omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor arbeid. Zij overlegde medische verklaringen van een reumatoloog en psychiater die stelden dat sprake was van fibromyalgie en psychische klachten.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren vastgesteld die het eerdere besluit konden herzien. De diagnose fibromyalgie werd niet als objectiveerbare ziekte of gebrek erkend.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. Het onderzoek door de reumatoloog leverde geen nieuwe objectiveerbare medische feiten op en de diagnose fibromyalgie bood geen nieuw licht op de arbeidsmogelijkheden van appellante. De Raad zag geen reden het eerdere besluit te herzien en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van het ziekengeld blijft gehandhaafd.

Uitspraak

04/2044 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 maart 2004, nr. 02/2070 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 14 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Pieters heeft een nadere verklaring van mevrouw Y. Schenk, de behandelend reumatoloog van appellante, ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.M. Profijt, advocaat te Hengelo. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.H. Nuyens.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 14 oktober 1999 heeft het Uwv de uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) aan appellante met ingang van 26 augustus 1999 beëindigd, aangezien zij op en na die datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
Bij schrijven van 10 oktober 2001 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 14 oktober 1999. Zij heeft daarbij een verklaring van de haar sinds 26 juni 2001 behandelend psychiater mevrouw J.L. van der Geld overgelegd. Dit verzoek is bij het primaire besluit van 17 januari 2002 afgewezen. In bezwaar heeft appellante een nadere verklaring van haar behandelend psychiater, een tweetal verklaringen van de haar sinds 6 december 2001 controlerend reumatoloog en een verklaring van haar huisarts overgelegd.
Bij besluit van 13 augustus 2002 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 januari 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat met de door de behandelend reumatoloog gestelde diagnose fibromyalgie geenszins is aangetoond dat bij appellante sprake is van een objectiveerbare als ziekte of gebrek aan te merken afwijking.
Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. Zij is van mening dat er wel degelijk sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb, te weten de informatie van de reumatoloog Schenk en de informatie van de psychiater Van der Geld, waaruit blijkt dat, anders dan eerst werd aangenomen, er wel degelijk sprake is van een objectiveerbare als ziekte of gebrek aan te merken afwijking. Hoewel het stellen van de diagnose fibromyalgie op zichzelf nog niet meebrengt dat sprake is van medisch objectiveerbare, uit ziekte of gebreken voortvloeiende, beperkingen, biedt de inhoud van de verklaring van de reumatoloog wel degelijk aanknopingspunten voor het oordeel dat de chronische pijnklachten van appellante een objectiveerbare oorzaak hebben die als ziekte of gebrek moet worden gekwalificeerd. In dat kader is tevens van belang dat de reumatoloog de klachten als reëel kwalificeert en van mening is dat zij hierdoor ernstig beperkt wordt in haar functioneren. Aangezien deze medische informatie over de in geding zijnde periode wezenlijk andere gegevens ten aanzien van appellantes medische situatie vermeldt dan waarmee de bedrijfsarts destijds reeds bekend was, is volgens appellante wel degelijk sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Appellante heeft er voorts op gewezen dat in het besluit van 14 oktober 1999 expliciet was vermeld: ”Mocht in de toekomst specialistisch onderzoek anders uitwijzen, dan wordt deze beslissing herzien.”
De Raad overweegt het volgende.
Evenals de rechtbank heeft de Raad in de bij het verzoek van 10 oktober 2001 en in bezwaar overgelegde medische verklaringen, die in beroep en in hoger beroep nog met nadere verklaringen zijn geadstrueerd, geen nieuwe feiten als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb kunnen onderkennen. Het onderzoek door de reumatoloog heeft geen nieuwe medische feiten opgeleverd. Het stellen van de diagnose fibromyalgie werpt op zichzelf geen nieuw licht op appellantes mogelijkheden om te werken.
Nu het onderzoek door de reumatoloog Schenk niet heeft uitgewezen dat appellante, naar objectieve maatstaven gemeten, op medische gronden ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid, is voorts de voorwaarde, verbonden aan de in het besluit van 14 oktober 1999 in het vooruitzicht gestelde herziening, niet vervuld.
Nu het hier gaat om een verzoek om terug te komen van een eerder in rechte onaantastbaar geworden besluit, kan niet worden gedeeld appellantes standpunt dat naar aanleiding van met name de verklaring van de reumatoloog Schenk een nader medisch onderzoek had moeten worden ingesteld.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.