ECLI:NL:CRVB:2006:AY5211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Terugvordering voorschot WAO-uitkering en proceskostenvergoeding
Appellante had een voorschot op een WAO-uitkering ontvangen dat later werd vastgesteld als te hoog, waarna het Uwv besloot het teveel betaalde bedrag terug te vorderen. Appellante voerde aan dat het besluit tot terugvordering niet tijdig was genomen en dat zij niet duidelijk was geïnformeerd over de gevolgen van haar arbeidsongeschiktheidsklasse. De rechtbank wees haar beroepen af, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat de terugvordering wettelijk verplicht is en dat er geen dringende reden was om hiervan af te zien, mede omdat appellante het bedrag inmiddels had terugbetaald. De Raad vond dat het Uwv voldoende duidelijkheid had gegeven over de terugvordering en dat de verwarring over de hoogte van de WW-uitkering onvoldoende aanleiding gaf om de terugvordering te stuiten.
Verder oordeelde de Raad dat appellante geen aanspraak kon maken op schadevergoeding voor het verschil tussen het teruggevorderde voorschot en de toegekende WW-uitkering. Wel werd een proceskostenvergoeding toegekend wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, waarbij een factor 0,25 werd toegepast. De Raad veroordeelde het Uwv tot betaling van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: De terugvordering van het teveel betaalde WAO-voorschot wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt afgewezen, met toekenning van een beperkte proceskostenvergoeding.