ECLI:NL:CRVB:2006:AY5223

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3153 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:75 AwbSchattingsbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onjuist medisch onderzoek

Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tot intrekking van zijn WAO-uitkering, waarbij de arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 35 tot 45%. De rechtbank had het besluit in stand gelaten, maar appellant verwees naar een eerdere uitspraak van de Raad waarin werd geoordeeld dat een schatting die mede gebaseerd is op onderzoek door een medisch medewerker in plaats van een verzekeringsarts in strijd is met het Schattingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht.

Het Uwv erkende dat het besluit niet gehandhaafd kon worden en stelde voor het besluit te vernietigen. Appellant verscheen niet bij de zitting, mede vanwege dit standpunt van het Uwv. De Raad besloot het besluit te vernietigen en het beroep gegrond te verklaren, waarbij het Uwv werd opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

Daarnaast veroordeelde de Raad het Uwv in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed. Vergoedingen voor kosten van een psychiater werden afgewezen omdat deze niet voor het bestuursrechtelijke geding relevant waren, terwijl een medisch adviseurrapport wel werd erkend voor vergoeding.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het Uwv wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

04/3153 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 april 2004, 03/2897 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 14 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Hoekman, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadien een reactie van de bezwaar-verzekeringsarts ingezonden.
Als opvolgend gemachtigde heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, de beroepsgronden aangevuld en bij brief van 30 mei 2006 zijn standpunt nader bepaald.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Appellant is met schriftelijke kennnisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.
II. OVERWEGINGEN
Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 4 juni 2003 heeft het Uwv het besluit van 23 december 2002 gehandhaafd, waarbij met ingang van 25 december 2002 de aan appellant verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, is ingetrokken. De rechtbank heeft, beslissend op het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep, dit besluit op grond van de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 september 2005 (LJN: AU3603) aangevoerd, dat de arbeidsongeschiktheidsschatting wat betreft de medische grondslag ten onrechte mede berust op onderzoek door een medisch medewerker, niet zijnde een verzekeringsarts, en dat derhalve het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De Raad heeft in deze uitspraak als zijn oordeel gegeven dat een zodanige schatting in strijd moet worden geacht met het bepaalde in het Schattingsbesluit omtrent het verzekeringsgeneeskundig onderzoek alsmede met de eisen die in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gesteld inzake een zorgvuldig en volledig onderzoek naar alle relevante feiten en af te wegen belangen.
Het Uwv heeft in reactie hierop bij faxbericht van 22 mei 2006 zich op het standpunt gesteld, welk standpunt ter zitting van de Raad is herhaald, dat het bestreden besluit, gelet op voormelde uitspraak van de Raad, niet te handhaven is en voor vernietiging in aanmerking komt. Gegeven dit uitdrukkelijk door het Uwv ingenomen standpunt, heeft appellant afgezien van het bijwonen van de zitting.
Onder deze omstandigheden zal de Raad overgaan tot vernietiging van dit besluit met de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten.
De Raad acht geen termen aanwezig om te voldoen aan het verzoek van het Uwv om de uitspraak op het beroep aan te houden met het oog op een nieuw medisch onderzoek en eventueel arbeidskundig onderzoek ter voorbereiding van een daarop gebaseerd nieuw besluit op bezwaar. Het komt de Raad voor dat het Uwv na het bekend worden van de uitspraak van 29 september 2005 voldoende tijd heeft gehad zich te beraden omtrent de gevolgen van die uitspraak voor de onderhavige zaak en om terzake een beslissing te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De gevraagde vergoeding van de kosten van € 300,- verbonden aan het onderzoek van appellant door de psychiater A.J.A. Vandecasteele, komt niet voor toewijzing in aanmerking. Diens rapport van 26 oktober 2004 is blijkens de brief van 4 november 2004 van appellants gemachtigde opgemaakt in het kader van een ontslagprocedure, zodat de kosten daarvan niet kunnen worden gerekend tot de kosten van dit geding. Wel komt het rapport van 11 januari 2005 van de medisch adviseur J.H.C.M. Fouchier tot een bedrag van € 135,-voor vergoeding in aanmerking, nu dit rapport, waarbij voormeld rapport van de psychiater Vandecasteele wordt toegelicht, is opgemaakt ten behoeve van dit geding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verstaat dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1101,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.
PR/290606