ECLI:NL:CRVB:2006:AY5544

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4441 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid niet gerechtvaardigd

Appellant, sinds 2000 in dienst bij zijn werkgever, meldde zich op 1 juni 2004 ziek. Na een waarschuwing wegens ongedisciplineerd gedrag ontving hij een hersteldmelding van de Arbo-arts per 14 juni 2004, maar vroeg een second opinion aan. Op 22 juni 2004 meldde zijn moeder telefonisch aan de werkgever dat appellant nog niet hersteld was en de uitslag van de second opinion wilde afwachten. Desondanks werd appellant op staande voet ontslagen, wat later werd ingetrokken.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde vervolgens de WW-uitkering omdat appellant zich verwijtbaar zou hebben gedragen, wat volgens hen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.

De Raad stelde vast dat appellant op 22 juni 2004 terecht ziek was en dat de werkgever op correcte wijze was geïnformeerd via de moeder van appellant. Er was geen sprake van ongeoorloofd verzuim of voorzienbaar werkloosheidsrisico. De Raad vond dat het Uwv en de rechtbank te veel gewicht hadden toegekend aan de waarschuwingsbrief en het telefoongesprek van 22 juni.

Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het Uwv een nieuwe beslissing moet nemen rekening houdend met deze overwegingen. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd omdat appellant zich op geldige wijze ziek heeft gemeld en de werkgever correct is geïnformeerd.

Uitspraak

05/4441 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 juni 2005, 05/334 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.A.M. Berendsen, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berendsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Appellant, die is geboren [in] 1982 en [in] 2000 in dienst is getreden bij [naam werkgever]
(hierna: de werkgever), heeft zich op 1 juni 2004 ziek gemeld. Appellant is bij brief van 7 juni 2004 gewaarschuwd wegens ongedisciplineerd en onacceptabel gedrag, bij herhaling waarvan appellant op staande voet zou worden ontslagen. Na hersteldmelding door de Arbo-arts per 14 juni 2004 heeft appellant op 18 juni 2004 een second-opinion aangevraagd. Met een schrijven van 16 juni 2004 heeft appellant van de werkgever vernomen dat hij nog enige tijd zou krijgen om te herstellen en dat hij op 22 juni 2004 op het werk werd verwacht. Hij werd uitdrukkelijk gevraagd vooraf te melden dat hij zou verschijnen, bij gebreke waarvan dit zou worden opgevat als werkweigering en hij op staande voet zou worden ontslagen. Op 22 juni 2004 om 8.45 uur heeft de moeder van appellant de werkgever gebeld en medegedeeld dat appellant nog niet hersteld was en de uitslag van de second-opinion wilde afwachten. Appellant is daarop op staande voet ontslagen, welk ontslag na protest is ingetrokken. Uiteindelijk heeft de kantonrechter naar aanleiding van een verzoekschrift van de werkgever de arbeidsovereenkomst met appellant per 1 oktober 2004 ontbonden wegens gewichtige redenen.
2.2. Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat de WW-uitkering van appellant blijvend geheel wordt geweigerd omdat hij zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Daarmee is appellant de verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, onder a, van de WW opgelegd, niet nagekomen. Bij besluit op bezwaar van 30 december 2004 heeft het Uwv dit standpunt gehandhaafd.
3. De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4. Appellant kan zich hiermee niet verenigen. In hoger beroep heeft hij aangegeven dat de rechtbank aan de waarschuwingsbrief van 7 juni 2004 te veel gewicht heeft toegekend, dat in deze brief een onjuist beeld wordt geschetst van zijn functioneren, dat hij niet meer heeft gewerkt na 1 juni 2004 omdat hij ziek was en dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de telefonische (ziek)melding op 22 juni 2004 verwijtbaar zou zijn jegens de werkgever.
5. De Raad overweegt hieromtrent als volgt.
5.1. De Raad stelt vast dat appellant op 22 juni 2004 nog onder behandeling stond van zijn huisarts en een psycholoog, terwijl op 8 juli 2004 door een verzekeringsarts van het Uwv is vastgesteld dat appellant op de eerder aangemerkte hersteldatum van 14 juni 2004 niet geschikt was om zijn eigen werk te verrichten. Appellant heeft zich op 22 juni 2004 dan ook terecht op het standpunt kunnen stellen dat hij ziek was. Appellant heeft op die dag, overeenkomstig hetgeen van hem verwacht mocht worden, contact opgenomen met de werkgever. In casu is dat gebeurd door tussenkomst van zijn moeder die om 8.45 uur de werkgever telefonisch op de hoogte heeft gebracht van de ziekte van appellant. Het is de Raad niet gebleken dat de werkgever bezwaren had tegen het op die manier kenbaar maken van de redenen om de werkzaamheden niet te hervatten. Daarbij wijst de Raad er nog op dat onweersproken is gesteld dat het bedrijf van de werkgever in juni 2004 pas na 8.30 uur telefonisch bereikbaar was.
5.2. Met betrekking tot hetgeen op 22 juni 2004 ’s ochtends om 8.45 uur rond het hierboven genoemde telefoongesprek heeft plaatsgevonden, merkt de Raad voorts op dat hij, gelet op de ter zitting gegeven toelichting van appellant dienaangaande, aan dat gesprek niet de waarde kan hechten die zowel het Uwv in het bestreden besluit als de rechtbank in haar aangevallen uitspraak daaraan hebben toegekend.
5.3. Gezien het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant een geldige reden had om op 22 juni 2004 niet op het werk te verschijnen en dat de werkgever daarvan op een correcte manier op de hoogte was gebracht zodat van ongeoorloofd verzuim of van het nemen van een voorzienbaar werkloosheidsrisico geen sprake was. Een dergelijk risico kan ook niet gelegen zijn in het door de werkgever gestelde in de brief van 7 juni 2004, omdat daaromtrent niets concreet vaststaat. Voor het opleggen van een maatregel wegens verwijtbare werkloosheid was dan ook geen grondslag. Het hoger beroep treft derhalve doel. De aangevallen uitspraak evenals het bestreden besluit kunnen niet in stand blijven en dienen te worden vernietigd. Het Uwv dient opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellant met inachtneming van hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen.
6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten wegens verleende rechtsbijstand, begroot op
€ 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.