ECLI:NL:CRVB:2006:AY5544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid niet gerechtvaardigd
Appellant, sinds 2000 in dienst bij zijn werkgever, meldde zich op 1 juni 2004 ziek. Na een waarschuwing wegens ongedisciplineerd gedrag ontving hij een hersteldmelding van de Arbo-arts per 14 juni 2004, maar vroeg een second opinion aan. Op 22 juni 2004 meldde zijn moeder telefonisch aan de werkgever dat appellant nog niet hersteld was en de uitslag van de second opinion wilde afwachten. Desondanks werd appellant op staande voet ontslagen, wat later werd ingetrokken.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde vervolgens de WW-uitkering omdat appellant zich verwijtbaar zou hebben gedragen, wat volgens hen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat appellant op 22 juni 2004 terecht ziek was en dat de werkgever op correcte wijze was geïnformeerd via de moeder van appellant. Er was geen sprake van ongeoorloofd verzuim of voorzienbaar werkloosheidsrisico. De Raad vond dat het Uwv en de rechtbank te veel gewicht hadden toegekend aan de waarschuwingsbrief en het telefoongesprek van 22 juni.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het Uwv een nieuwe beslissing moet nemen rekening houdend met deze overwegingen. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd omdat appellant zich op geldige wijze ziek heeft gemeld en de werkgever correct is geïnformeerd.