ECLI:NL:CRVB:2006:AY5563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering kinderbijslag wegens woonsituatie kinderen
Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) die kinderbijslag herzien en terugvorderden omdat zijn kinderen Mohamed en Hamid volgens de Svb niet uitwonend waren vanaf het vierde kwartaal van 1995. De Svb baseerde dit op onderzoeken in Marokko, schoolverklaringen en bevolkingsregisters. Appellant betwistte de juistheid van deze onderzoeken en stelde dat de kinderen tot 2000 bij grootouders woonden.
De Raad beoordeelde de bewijslast en concludeerde dat de onderzoeken onvoldoende consistent waren om de herziening met terugwerkende kracht te dragen. De verklaringen van appellant en zijn familie werden meegewogen, evenals officiële inschrijvingen in bevolkingsregisters. De Raad oordeelde dat de kinderen vanaf 30 april 1997 met hun moeder één huishouden vormden, maar dat voor de periode van 1995 tot en met het tweede kwartaal van 1997 onvoldoende bewijs was voor het ontbreken van uitwonerschap.
Hierdoor werd het bestreden besluit vernietigd voor die periode en werd de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot herziening en terugvordering van kinderbijslag over 1995-1997 wordt vernietigd, met opdracht tot nieuw besluit en vergoeding van proceskosten aan appellant.