ECLI:NL:CRVB:2006:AY5568

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6957 OSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Organisatiewet sociale verzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling sectorindeling bedrijf appellant door UWV bevestigd

Appellant is in beroep gekomen tegen het besluit van het UWV om zijn bedrijf per 1 oktober 2004 in te delen bij sector 17, detailhandel en ambachten, terwijl appellant verzocht had om indeling bij sector 35, gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen.

De Raad beoordeelde het geschil aan de hand van de Organisatiewet sociale verzekeringen en relevante indelingsregelgeving. Appellant stelde dat zijn bedrijf zich niet alleen manifesteert als leverancier van steunkousen en verbandmiddelen, maar ook als zorgverlenende hulp op paramedisch niveau. De Raad concludeerde echter dat de kernactiviteiten van appellant vooral bestaan uit het adviseren en aanleveren van orthopedische hulpmiddelen op medisch voorschrift, waarbij het geneeskundige paramedische zorgverlenende aspect primair aan anderen met specifieke bevoegdheden is voorbehouden.

De vergelijking met andere bedrijven in de zorgsector werd verworpen omdat het hier om gemengde bedrijfsvormen gaat die wezenlijk verschillen van het bedrijf van appellant. De Raad zag geen aanleiding om het besluit van het UWV te wijzigen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de sectorindeling door het UWV wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/6957 OSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
[appellant], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellant),
en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: verweerder)
Datum uitspraak: 27 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant is in beroep gekomen van het besluit van het Uwv.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2006. Appellant heeft zich daar niet doen vertegenwoordigen. Het Uwv is verschenen bij gemachtigde R.J.L. van Wijk, werkzaam bij de Belastingdienst Haaglanden.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Organisatiewet sociale verzekeringen (OSV) en de relevante indelingsregelgeving zoals die luidde ten tijde hier van belang.
Bij het na bezwaar genomen besluit heeft het Uwv de eerder genomen beslissing gehandhaafd om, ondanks het andersluidend verzoek van appellant tot indeling bij sector 35. gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen, het bedrijf van appellant per 1 oktober 2004 ongewijzigd bij sector 17. detailhandel en ambachten in te delen.
Appellant blijft in beroep van mening dat indeling als bij vergelijkbare bedrijven dient te geschieden in de zorgsector, omdat het bedrijf zich niet alleen manifesteert als leverancier van steunkousen en verbandmiddelen e.a. bij spataderen e.d., maar ook als zorgverlenende hulp bij het aanwenden daarvan op het niveau van paramedici optreedt door voortschrijdende ontwikkelingen.
De Raad onderschrijft deze opvatting van appellant op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet. De kern van de activiteiten van appellant bestaat in het op medisch voorschrift adviseren over en aanleveren van orthopedische hulpmiddelen zoals steunkousen en zwachtels met maatbepaling en aanvullend enige ondersteunende instructie voor het gebruik ervan en ligt niet primair in het geneeskundige zorgverlenende paramedische vlak, dat in essentie aan anderen met daartoe strekkende genees- of verpleegkundige bevoegdheden en bekwaamheden is voorbehouden. De vergelijking met bedoelde andere bedrijven gaat overigens niet op, omdat het hier om gemengde bedrijfsvormen gaat, welke daadwerkelijk door een groepsaansluiting anders van aard en samenstelling zijn in vergelijking tot het onderhavige bedrijf.
Volledigheidshalve merkt de Raad op dat bij de indeling op goede gronden geen rekening is gehouden met toepasselijkheid van cao-, vut- en pensioenregelingen of anderssoortige sectorgebonden regelingen.
Het door appellant bestreden besluit van het Uwv kan dan ook gedragen worden door de motivering welke hieraan is gegeven en het beroep van appellant kan derhalve niet slagen.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
GG180706