ECLI:NL:CRVB:2006:AY5605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens niet-werkloosheid
Appellante was van 12 augustus 2001 tot 18 februari 2002 via een uitzendbureau werkzaam als chauffeur bij een stichting. Na beëindiging van het contract ontving zij een WW-uitkering gebaseerd op een arbeidspatroon van circa 37 uur per week. Begin 2004 vroeg zij toestemming voor vrijwilligerswerk, waarna het UWV ontdekte dat zij haar werkzaamheden voor de stichting voortzette vanaf 1 juli 2002, zonder dit te melden.
Het UWV herzag haar uitkering en vorderde €9.290,67 terug wegens onverschuldigde betaling. Appellante voerde aan dat zij vrijwilligerswerk verrichtte en dat terugvordering vanwege haar leeftijd en inkomen onredelijk was. De rechtbank verklaarde haar beroepen ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat appellante dezelfde werkzaamheden verrichtte als voorheen, maar nu zonder dienstverband, en dat het UWV terecht uitging van 20 uur werk per week zoals door appellante zelf opgegeven. De Raad oordeelt dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraak blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WW-uitkering omdat appellante niet werkloos was.