ECLI:NL:CRVB:2006:AY6009
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 1981 een WAO-uitkering ontvangt vanwege rugklachten en arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, werd in 2002 herbeoordeeld door het UWV. Dit leidde tot een verlaging van zijn uitkering naar 35 tot 45%. Na bezwaar en een arbeidskundig onderzoek werd dit bijgesteld naar 45 tot 55%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep heeft het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit werden door de Raad onderschreven, maar het besluit is genomen op basis van onjuiste procedurele gronden. De Raad liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter geheel in stand conform artikel 8:72, derde lid, Awb.
Appellant voerde aan dat hij in de jaren tachtig weinig medewerking kreeg bij werkhervatting en dat artikel 21, tweede lid, van de WAO ten onrechte verviel. De Raad oordeelde dat het besluit uitsluitend beoordeeld wordt naar het recht van 13 september 2002 en dat het genoemde artikel sinds 1987 niet meer van toepassing was. Klachten over de bejegening door de arbeidskundige werden als niet relevant voor de beoordeling van de WAO-aanspraken beschouwd.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter C.W.J. Schoor en griffier A.H. Hagendoorn-Huls op 8 augustus 2006.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de Awb, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.