ECLI:NL:CRVB:2006:AY6073

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-552 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdige betaling griffierecht in hoger beroep WWB

Appellante heeft tegen een uitspraak van de rechtbank Almelo hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Dit hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht van €103 niet binnen de gestelde termijn van vier weken was betaald.

Appellante stelde in verzet dat zij het griffierecht via telebankieren op 21 maart 2006 had voldaan. De Raad stelde echter vast dat het bedrag pas op 23 maart 2006 op de rekening van de Raad was bijgeschreven, waardoor de betaling niet tijdig was.

De Raad wees erop dat bij bankbetalingen de datum van bijschrijving op de rekening van de Raad beslissend is en dat het risico van late verwerking van een betalingsopdracht op de laatste dag van de termijn voor rekening van de betaler komt. Gezien deze feiten werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is betaald.

Uitspraak

06/552 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 12 december 2005, 04/1201 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, (hierna: College)
Datum uitspraak: 1 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 2 mei 2006 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 2 mei 2006 heeft appellante verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 juli 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 2 mei 2006 berust hierop, dat het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet binnen de daarvoor - laatstelijk - bij aangetekend verzonden brief van 22 februari 2006 gestelde termijn van vier weken is voldaan en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellante aangevoerd dat zij het verschuldigde griffierecht van € 103,-- via telebankieren op 21 maart 2006 om 23.16 uur aan de Raad heeft betaald.
In aansluiting op hetgeen in bovengenoemde uitspraak is overwogen, stelt de Raad eerst vast dat het griffierecht niet tijdig is betaald omdat uit de gedingstukken blijkt dat het verschuldigde bedrag op 23 maart 2006 op de rekening van de Raad is bijgeschreven.
Voorts merkt de Raad op dat hij ook in het verzetschrift geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellante het verzuim niet kan worden tegengeworpen. De Raad merkt daarbij op dat appellante bij brief van 22 februari 2006 er op is gewezen dat bij betaling per bank de datum van bijschrijving op de bankrekening van de Raad beslissend is en dat volgens vaste rechtspraak het risico van niet-tijdige verwerking van een eerst op de laatste dag van de termijn gegeven betalingsopdracht aan de bank voor haar rekening komt.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.