ECLI:NL:CRVB:2006:AY6090
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na oneigenlijke ziekmelding en niet-ontvankelijkheid bezwaar
Appellant heeft zich op 2 augustus 2004 ziek gemeld en is op 28 september 2004 door een verzekeringsarts beoordeeld. De arts concludeerde dat sprake was van een oneigenlijke ziekmelding en handhaafde de herstelverklaring per 12 juli 2004. Het UWV heeft daarop bij besluit van 12 juli 2004 de uitkering van ziekengeld geweigerd en bij besluit van 28 september 2004 de ziekmelding per 2 augustus 2004 afgewezen.
Appellant maakte bezwaar tegen de weigering van ziekengeld, maar het UWV verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de bezwaartermijn was ingediend en het bezwaar tegen een brief van 16 september 2004 niet ontvankelijk was omdat deze brief geen besluit bevatte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat de brief van 16 september 2004 onterecht niet als besluit werd aangemerkt en dat deze ook betrekking had op een latere ziekmelding. De Raad oordeelde dat de brief geen rechtsgevolg had en geen betrekking kon hebben op de ziekmelding van 2 augustus 2004, omdat daarna een apart besluit is genomen waartegen geen bezwaar is gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de grieven van appellant ongegrond. Er waren geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en het ontbreken van een besluit.