ECLI:NL:CRVB:2006:AY6132

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-281 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:75 AwbArt. 15 WW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schriftelijke weigering beslissing WW-aanvraag gelijkgesteld met besluit, bezwaar onterecht niet-ontvankelijk verklaard

Appellant heeft op 29 september 2003 een WW-uitkering aangevraagd. Het UWV besloot op 9 oktober 2003 dat appellant recht had op een loongerelateerde uitkering, maar weigerde schriftelijk te beslissen over de vervolguitkering, zoals vermeld in een bijlage bij het besluit. Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering, maar het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkheid.

In hoger beroep stelt appellant dat de bijlage met de mededeling over de vervolguitkering wel een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat, omdat het een rechtsgevolg heeft. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV feitelijk heeft geweigerd te beslissen over de vervolguitkering en dat deze schriftelijke weigering gelijkgesteld moet worden met een besluit volgens artikel 6:2 Awb Pro.

De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het UWV moet opnieuw beslissen op het bezwaar van appellant, inclusief het verzoek om vergoeding van juridische kosten en schade. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant en dient het griffierecht te worden vergoed.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; het UWV moet opnieuw beslissen en wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

05/281 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 december 2004, 04/616 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2006. Namens appellant is verschenen, mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
1.1. Op 29 september 2003 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd.
1.2. Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 20 oktober 2003 recht heeft op een loongerelateerde uitkering, welke is gebaseerd op een arbeidspatroon van gemiddeld 40 arbeidsuren per week.
1.3. In een bijlage bij dit besluit, getiteld “Extra informatie over de vervolguitkering”, is appellant het volgende meegedeeld: “De regering heeft aangekondigd de vervolguitkering af te schaffen. Het is de bedoeling dat deze wordt afgeschaft met terugwerkende kracht tot en met 11 augustus 2003. Dat betekent dat wie op of na 11 augustus 2003 werkloos wordt, wél recht heeft op een uitkering op basis van het laatstverdiende loon, maar daarna geen recht meer heeft op een vervolguitkering. Omdat uw eerste werkloosheidsdag op of na 11 augustus 2003 ligt, krijgt u geen vervolguitkering. Het afschaffen van de vervolguitkering is een voornemen van de regering. Als blijkt dat het voorstel toch niet wordt ingevoerd, zal UWV u alsnog het recht op een vervolguitkering toekennen. U hoeft hiervoor dan geen nieuwe aanvraag in te dienen”.
1.4. Bij het bestreden besluit van 13 januari 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2003, inhoudende dat hem ten onrechte een vervolguitkering wordt geweigerd, niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de informatie over de afschaffing van de vervolguitkering is vermeld in een bijlage welke geen onderdeel uitmaakt van het besluit van 9 oktober 2003.
1.5. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de bijlage bij het besluit van 9 oktober 2003, gelet op de bewoordingen waarin deze is gesteld, geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.6. Blijkens het hoger beroepschrift is appellant van mening dat de bijlage bij het besluit van 9 oktober 2003 wel een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb bevat. Appellant heeft daarbij gewezen op de in de bijlage vermelde passage “Omdat uw eerste werkloosheidsdag op of na 11 augustus 2003 ligt, krijgt u geen vervolguitkering”. Volgens appellant is deze passage gericht op rechtsgevolg en daarmee een besluit in voormelde zin.
2. De Raad overweegt het volgende.
2.1. Het Uwv heeft bij besluit van 9 oktober 2003 beslist op appellants aanvraag om WW-uitkering. Ten tijde van dat besluit was de Wet van 19 december 2003 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met de afschaffing van de vervolguitkering (Stb. 2003, 546) nog niet in werking getreden. Ingevolge artikel 15 van Pro de WW, zoals die bepaling luidde ten tijde van het primaire besluit, heeft een werknemer die werkloos is, met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen, recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering.
2.2. De Raad stelt vast dat het Uwv bij het besluit van 9 oktober 2003 uitsluitend heeft beslist op appellants aanvraag om WW-uitkering voorzover het betreft het loongerelateerde deel van die uitkering, Het Uwv heeft geen besluit genomen over appellants recht op vervolguitkering. Blijkens de bijlage bij het besluit van 9 oktober 2003 heeft het Uwv welbewust geweigerd te beslissen over appellants recht op vervolg- uitkering, hetgeen door de gemachtigde van het Uwv ter zitting ook is aangegeven.
2.3. De Raad kan daarom niet anders concluderen dan dat het Uwv schriftelijk heeft geweigerd te beslissen op appellants aanvraag om WW-uitkering voorzover die aanvraag betrekking had op het recht op vervolguitkering. Deze schriftelijke weigering dient, gelet op artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb, voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit te worden gelijkgesteld.
3. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het bestreden besluit om die reden moet worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2003. Daarbij dient het Uwv tevens een besluit te nemen over appellants verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand in verband met de behandeling van het bezwaar en over het verzoek om vergoeding van de schade die appellant stelt te hebben geleden tengevolge van het besluit van 9 oktober 2003.
4. De Raad ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.