ECLI:NL:CRVB:2006:AY6137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering bij cyclisch arbeidspatroon touringcarchauffeur
Betrokkene was als touringcarchauffeur werkzaam bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die eindigde op 5 december 2003. De werkgever gaf aan de intentie te hebben om betrokkene in het volgende jaar weer in dienst te nemen. Betrokkene vroeg op 8 december 2003 een WW-uitkering aan. Appellant kende een voorschot toe, maar wees later de WW-aanvraag af omdat volgens artikel 4b van de Regeling sprake was van een cyclisch arbeidspatroon, waardoor geen arbeidsurenverlies bestond.
Betrokkene werkte vervolgens van april tot november 2004 opnieuw bij dezelfde werkgever en vroeg opnieuw WW aan, die ook werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het besluit over de eerste aanvraag wegens onvoldoende motivering, maar verklaarde het beroep tegen de tweede afwijzing ongegrond omdat het arbeidspatroon als cyclisch werd beschouwd.
In hoger beroep betwistte appellant de motivering van de rechtbank en stelde dat de regeling ook bij de eerste omwenteling van een cyclus kan worden toegepast als vaststaat dat sprake is van een cyclisch arbeidspatroon. Betrokkene voerde aan dat eerst het daadwerkelijke arbeidsurenverlies moet worden vastgesteld. De Raad oordeelde dat het standpunt van appellant juist is en dat de WW-uitkering terecht is geweigerd omdat de intentie en feitelijke hervatting van werkzaamheden bij dezelfde werkgever een cyclisch patroon bevestigen.
De Raad wees het hoger beroep tegen het oordeel over de tweede aanvraag af omdat daartegen geen tijdig beroep was ingesteld. Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor het eerste besluit, dat vernietigd werd, en de weigering van de WW-uitkering werd bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht geweigerd vanwege het bestaan van een cyclisch arbeidspatroon.