ECLI:NL:CRVB:2006:AY6148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WW-uitkering wegens recht op loonbetaling in januari en februari 2004
Appellant ontving een WW-uitkering die werd beëindigd toen hij per 1 november 2003 in dienst trad bij een werkgever. Na opzegging binnen de proeftijd per 1 januari 2004 vroeg appellant de voortzetting van de WW-uitkering aan, welke werd toegekend.
Het UWV herzag echter het recht op uitkering met ingang van 1 januari 2004, omdat appellant volgens het UWV recht had op onverminderde doorbetaling van loon over januari en februari 2004. Dit leidde tot terugvordering van €4.397,26 en een boete wegens het niet melden van loonbetaling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stond centraal of appellant in genoemde maanden werkloos was. De Raad concludeerde dat appellant niet werkloos was omdat hij het recht op loonbetaling niet had verloren, gebaseerd op verklaringen van de werkgever, loonstroken, en correspondentie van appellant zelf.
De feitelijke betaling van loon was niet doorslaggevend; het ging om het recht op onverminderde doorbetaling. Het hoger beroep faalde en de eerdere uitspraak werd bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet werkloos was in januari en februari 2004 en dat de herziening en terugvordering van de WW-uitkering terecht zijn.