ECLI:NL:CRVB:2006:AY6363

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5282 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 sociale werknemersverzekeringswetten
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen exploitant privéhuis en prostituees voor sociale verzekeringsplicht

Appellante exploiteert een privéhuis waar prostituees werkzaam zijn. De belastingdienst voerde in 2002 meerdere bedrijfsbezoeken uit en stelde vast dat er bedrijfsmatig diensten werden verleend door prostituees in de verhuurde kamers. Op basis van dit onderzoek nam het Uwv een besluit dat de betrokkenen vanaf 1 mei 2002 verplicht verzekerd zijn op grond van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het rapport van de belastingdienst was gebaseerd op een zorgvuldig onderzoek met meerdere waarnemingen over een lange periode. De rechtbank vond dat er voldoende aanwijzingen waren voor een gezagsverhouding, loonbetalingsverplichting en persoonlijke arbeidsverrichting.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het Uwv zich niet op het rapport mocht baseren omdat het een conceptrapport betrof en dat er slechts sprake was van kamerverhuur. De Raad verwierp deze grieven en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het rapport duidelijk maakte dat appellante inhoudingsplichtige was en dat het Uwv het rapport zonder eigen aanvullend onderzoek mocht gebruiken.

De Raad bevestigde dat de betrokken prostituees verplicht verzekerd waren en dat de voorschotnota’s van het Uwv voorlopig waren vastgesteld op basis van beschikbare gegevens, waarbij appellante via loonopgave het definitieve premiebedrag kan laten vaststellen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de proceskosten worden niet aan het Uwv opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat tussen appellante en de prostituees sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

05/5282 ALGEM
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 juli 2005, 04/344 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 3 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C. Ribbens, belastingadviseur te Diemen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 05/5283 CSV, plaatsgevonden op 1 juni 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Ribbens, en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C. Buist en mr. R.P. Bourne. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In het geding met reg.nr. 05/5283 CSV wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten, zoals die luidden ten tijde hier van belang.
Appellante exploiteert een privéhuis. De belastingdienst heeft in de periode mei tot en met september 2002 vijfmaal een bedrijfsbezoek in de vorm van waarnemingen ter plaatse bij appellante afgelegd en een gesprek met de boekhouder gevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 17 september 2002. Bij dit onderzoek is geconstateerd dat er in de verhuurde kamers van appellante bedrijfsmatig diensten worden verleend door prostituees (hierna: betrokkenen).
Bij besluit van 5 maart 2003 heeft het Uwv op grond van het rapport van de belastingdienst van 17 september 2002 met ingang van 1 mei 2002 verplichte verzekering uit hoofde van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van betrokkenen aangenomen op grond van de artikelen 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat tussen appellante en betrokkenen sprake is van een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, een loonbetalingsverplichting en een gezagsverhouding. Het Uwv heeft in het vorenstaande bovendien aanleiding gezien om aan appellante bij besluiten van 14 en 13 maart 2003 voorschotnota’s op te leggen over de jaren 2002 en 2003.
Het Uwv heeft bij besluit van 17 oktober 2003 het tegen de hiervoor genoemde besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 17 oktober 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - geoordeeld dat het Uwv voor zijn standpunt dat betrokkenen verplicht verzekerd zijn heeft mogen uitgaan van het rapport van de belastingdienst van 17 september 2002 nu dit is gebaseerd op een zorgvuldig uitgevoerd onderzoek. Daarbij heeft de rechtbank geconstateerd dat het rapport is gebaseerd op vijf waarnemingen ter plaatse die zich hebben uitgestrekt over een lange periode, namelijk mei 2002 tot en met september 2002. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om appellante te volgen in haar stelling dat de in het rapport opgenomen feiten en omstandigheden niet overeenkomen met de (toenmalige) werkwijze van appellante. Ook is haar niet gebleken dat de inspecteurs van belastingen niet onbevooroordeeld de feiten en omstandigheden van de arbeidsverhouding hebben vastgelegd. Dat de belastingdienst in strijd met zijn eigen beleid de eerste waarneming ter plaatse niet heeft aangekondigd, betekent volgens de rechtbank niet dat het Uwv geen gebruik heeft kunnen maken van de onderzoeks-resultaten. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de keuze van de belastingdienst om voor de periode tot
1 juli 2003 af te zien van loonheffing niet is gebaseerd op een van het rapport van 17 september 2002 afwijkende standpuntbepaling, zodat deze omstandigheid geen consequenties heeft voor de in geding zijnde besluiten.
Voor het aannemen van een gezagsverhouding tussen appellante en betrokkenen heeft de rechtbank onder meer van belang geacht dat appellante een soort sollicitatiegesprek voerde met nieuwkomers, dat bij appellante omgangregels golden, dat klachten door appellante of door haar vader werden afgehandeld, dat de prijzen door appellante werden vastgesteld, dat in advertenties geen onderscheid werd gemaakt tussen de kamerverhuur en de verrichtingen van betrokkenen, dat door appellante via advertenties zowel prostituanten als prostituees werden geworven, dat aan betrokkenen gratis drankjes, condooms en massageolie werden verstrekt en dat betrokkenen gebruik konden maken van het gehele gebouw alwaar zij ook langere tijd verbleven. Volgens de rechtbank kan gelet op het vorenstaande niet gezegd worden dat appellante zich uitsluitend heeft gericht op het verhuren van kamers. Appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank een gestructureerd organisatorisch kader geschapen waarbinnen betrokkenen werkzaam zijn en waarbinnen appellante de mogelijkheid heeft om aanwijzingen te geven die betrokkenen dienen op te volgen.
Ook acht de rechtbank een verplichting tot loonbetaling aanwezig, nu de aan betrokkenen verstrekte vergoedingen aangemerkt dienen te worden als een tegenprestatie voor de door betrokkenen persoonlijk verrichte arbeid. De rechtbank is van oordeel dat betrokkenen ten tijde hier in geding op grond van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten verplicht verzekerd waren.
Met betrekking tot de voorschotnota’s heeft de rechtbank opgemerkt dat appellante door het doen van loonopgave het daadwerkelijk door haar werknemers genoten loon aan het Uwv kan opgeven op grond waarvan het juiste door appellante verschuldigde bedrag aan premie door het Uwv kan worden vastgesteld.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad merkt op dat de in hoger beroep aangevoerde grieven in grote lijnen gelijk zijn aan die in beroep bij de rechtbank zijn aangevoerd.
De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad hier nog het volgende aan toe.
De stelling van appellante dat het Uwv zich niet op het rapport van de belastingdienst heeft mogen baseren, omdat het hier ging om een conceptrapport waarvan de conclusies nog niet vaststonden, kan de Raad niet volgen. De in het rapport van de belastingdienst vermelde conclusie laat er geen misverstand over bestaan dat appellante op grond van de bevindingen wordt aangemerkt als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting. Dat er over de consequenties van deze conclusie (lees: over de loonheffing) nog een nader gesprek met de belastingdienst zou worden gepland, doet hieraan geen afbreuk.
De omstandigheden dat de belastingdienst na het uitgevoerde onderzoek jegens appellante niet (geheel) correct zou hebben gehandeld en (nog) niet tot loonheffing is overgegaan, vormen op zichzelf geen gronden om het daaraan voorafgaande onderzoek als onzorgvuldig aan te merken. Hetzelfde geldt voor de door appellante gedane aangiftes over het jaar 2002 die door de belastingdienst zijn aanvaard. Nu de belastingdienst niet is teruggekomen op de in het rapport vermelde bevindingen en de daaruit getrokken conclusie, heeft het Uwv zijn besluiten, zonder nadien een eigen onderzoek in te stellen, kunnen baseren op dit rapport. In het licht van het vorenstaande komt de Raad tevens tot het oordeel dat het beroep op de uitspraak van de Raad van 2 december 2004, LJN AR7216, niet kan slagen.
De Raad overweegt voorts dat de uitspraken waarnaar appellante ter ondersteuning van haar standpunt dat geen sprake is van verzekeringsplicht heeft verwezen alle zien op gevallen die niet met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn. Wat betreft de stelling van appellante dat bij haar uitsluitend sprake is van kamerverhuur, heeft de Raad niets toe te voegen aan hetgeen de rechtbank hierover heeft opgemerkt.
Ook wat de voorschotnota’s betreft onderschrijft de Raad het standpunt van de rechtbank. In voorschotnota’s worden de verschuldigde premies op basis van beschikbare gegevens voorlopig vastgesteld. Indien appellante zich met deze vaststelling niet kan verenigen dan dient zij dit door middel van een loonopgave bij het Uwv kenbaar te maken. Op grond van deze loonopgave kan het Uwv komen tot een definitieve vaststelling van de verschuldigde premies.
In de overigens namens appellante naar voren gebrachte grieven ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) P.E. Broekman.