ECLI:NL:CRVB:2006:AY6383

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4292 TW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 TWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet bij inkomen gelijk aan sociaal minimum

Appellant heeft op 30 april 2003 een toeslag aangevraagd op grond van de Toeslagenwet (TW). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft bij besluit van 7 mei 2003, gehandhaafd op 5 augustus 2003, medegedeeld dat appellant geen recht heeft op een toeslag omdat zijn inkomen op 1 mei 2003 gelijk was aan 70% van het bruto minimumloon, het voor hem geldende sociaal minimum.

De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Appellant stelde dat zijn inkomen onder het sociaal minimum lag en dat hij daarom recht had op een toeslag. De Centrale Raad van Beroep volgt deze stelling niet en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De Raad overweegt dat het recht op toeslag bestaat indien het inkomen lager is dan 70% van het minimumloon. Appellant was ongehuwd en had geen kinderen jonger dan 18 jaar in zijn huishouden, waardoor de norm 70% van het minimumloon per dag bedroeg. Zijn inkomen was echter precies gelijk aan deze grens, waardoor geen recht op toeslag bestaat.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv om geen toeslag toe te kennen wordt bevestigd.

Uitspraak

04/4292 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2004, 03/2793 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellant is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
Op 30 april 2003 heeft appellant een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd. Bij besluit van 7 mei 2003, gehandhaafd bij besluit van 5 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij per 1 mei 2003 geen recht heeft op een toeslag. Daarbij is overwogen dat recht op een toeslag bestaat wanneer het inkomen van een betrokkene beneden het voor hem relevante sociaal minimum op grond van artikel 2 van Pro de TW ligt. Het voor appellant geldende sociaal minimum bedroeg op 1 mei 2003 70% van het bruto minimumloon per dag. Het inkomen van appellant op 1 mei 2003 bestond uit een vervolguitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ter hoogte van eveneens 70% van het bruto minimumloon, zodat geen recht bestond op een aanvullende toeslag.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft de juistheid van deze uitspraak bestreden en, evenals in beroep, aangevoerd dat zijn inkomen op 1 mei 2003 onder het sociaal minimum lag, zodat hij wel recht had op een toeslag.
De Raad kan appellant hierin niet volgen. Met overneming van de gronden in de aangevallen uitspraak is ook de Raad van oordeel dat het Uwv appellant terecht geen toeslag op grond van de TW heeft toegekend.
Voor zover appellant meent dat hij recht had op een zodanige toeslag dat zijn inkomen werd aangevuld tot 100% van het wettelijk minimumloon is die opvatting onjuist. Appellant was op 1 mei 2003 een ongehuwde zonder tot zijn huishouden behorende kinderen jonger dan 18 jaar. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de TW zou hij als zodanig recht op een toeslag hebben wanneer hij per dag een inkomen zou hebben dat lager was dan 70% van het minimumloon. Het inkomen van appellant was echter niet lager dan 70% van het minimumloon, maar daaraan precies gelijk.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.