ECLI:NL:CRVB:2006:AY6389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende grondslag schatting
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank die het beroep tegen het besluit van het UWV tot weigering van een WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Het geschil betreft de weigering van een WAO-uitkering per 27 december 1999 en de intrekking van een voorschot op deze uitkering.
De Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende grondslag heeft voor de schatting van de arbeidsongeschiktheid, omdat deze is gebaseerd op slechts twee geschikte functies in plaats van het vereiste aantal van drie. Daarbij is onterecht een functie met wisseldienst in de schatting betrokken, terwijl dit volgens het Schattingsbesluit WAO niet is toegestaan. Verder is het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond, hetgeen tot gedeeltelijke vernietiging leidt.
De Raad verwerpt de stelling dat het vertrouwensbeginsel is geschonden met betrekking tot het voorschot, omdat appellant op het moment van toekenning duidelijkheid had over het voorschotkarakter. Er zijn geen medische gegevens die het oordeel over de arbeidsongeschiktheid op het moment van de aanvraag wijzigen.
Op grond van deze overwegingen vernietigt de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en gelast het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.