ECLI:NL:CRVB:2006:AY6408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering overneming pensioenpremie na faillissement werkgever niet gegrond verklaard
Appellant was directeur bij een werkgever die op 10 juli 2001 failliet werd verklaard. Het UWV nam achterstallige betalingsverplichtingen over, maar weigerde op 18 juli 2003 de overneming van een pensioenpremie van € 23.050,48 wegens onvoldoende gegevens en een vermeende benadelingshandeling van appellant. De rechtbank oordeelde dat appellant slechts recht had op de helft van de pensioenpremie en dat hij een benadelingshandeling had gepleegd door niet tijdig navraag te doen.
In hoger beroep stelt de Centrale Raad van Beroep vast dat het UWV niet in hoger beroep is gekomen en dat de werkgever gehouden is slechts de helft van de pensioenpremie te betalen op grond van de collectieve regeling. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van een benadelingshandeling omdat de wet geen strikte verplichting tot tijdige actie door de werknemer stelt.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het de weigering van uitkering betreft en bevestigt de overige onderdelen van de uitspraak. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van overneming van de pensioenpremie wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.