ECLI:NL:CRVB:2006:AY6565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering wettelijke rente en hoogte WAO-dagloon na herziening
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn WAO-dagloon en de weigering van het UWV om wettelijke rente te vergoeden over een nabetaling. Het UWV had het dagloon verhoogd, maar weigerde wettelijke rente te betalen. De rechtbank had het bezwaar tegen de weigering van wettelijke rente gegrond verklaard, met een aanmaningsdatum van 4 december 2001 als uitgangspunt voor rente.
In hoger beroep stelt de Centrale Raad van Beroep dat het terugkomen van onherroepelijke besluiten een bevoegdheid is die terughoudend door de rechter wordt getoetst. Nieuwe stellingen die na bezwaar zijn ingebracht, kunnen niet worden meegenomen. De Raad oordeelt dat de argumenten van appellant over vakantietoeslag en CAO-toeslag niet voldoende zijn onderbouwd met bewijs en dat het financiële voordeel van zes extra reisdagen niet leidt tot een hoger dagloon.
Ten aanzien van de wettelijke rente bevestigt de Raad dat deze pas na een redelijke termijn na aanmaning verschuldigd is. Het UWV heeft erkend dat eerdere rentetoekenningen berustten op fouten en niet op beleid. Er is geen grond om in dit geval wettelijke rente vanaf een eerdere datum dan de rechtbank heeft vastgesteld toe te kennen.
De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om wettelijke rente te vergoeden en handhaaft de vaststelling van het WAO-dagloon.