ECLI:NL:CRVB:2006:AY6605

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03/2311 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over hoogte WAO-dagloon en wettelijke rente

Appellant werkte bij Volvo Car B.V. en kreeg in 1989 een WAO-uitkering toegekend met een vastgesteld dagloon. In 2001 verzocht hij om verhoging van het dagloon met onder meer pensionkostentoeslag, reiskostenvergoeding en extra vakantiedagen, en om vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling. Het UWV verhoogde het dagloon deels, maar wees wettelijke rente af. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit, maar handhaafde het dagloonbesluit.

De Centrale Raad overweegt dat het terugkomen van een onherroepelijk besluit een bevoegdheid is die terughoudend getoetst wordt. Appellant heeft onvoldoende bewijs geleverd voor de gevraagde toeslagen. De Raad onderschrijft dat het vaste maandloon niet wijzigt door extra reisdagen en dat de CAO-toeslag niet is aangetoond.

Ten aanzien van de wettelijke rente volgt de Raad de vaste jurisprudentie dat rente pas na een redelijke termijn na aanmaning verschuldigd is. Het UWV heeft erkend dat eerdere rentevergoedingen berustten op fouten, maar dit leidt niet tot een verplichting om in appellants geval eerder rente te vergoeden. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het dagloon terecht heeft vastgesteld zonder extra toeslagen en dat wettelijke rente niet eerder dan na een redelijke termijn na aanmaning verschuldigd is.

Uitspraak

03/2311 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 april 2003, kenmerk 02/1071 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 3 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. Brauer, voornoemd, en namens het Uwv is verschenen mr. L. Bosma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Appellant werkte laatstelijk bij Volvo Car B.V. te Born. Bij besluit van 17 februari 1989 heeft het Uwv met ingang van 29 november 1988 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op f 149,76. In dit besluit heeft appellant berust.
Bij brief van 29 november 2001 is namens appellant verzocht om het dagloon alsnog te verhogen, waarbij is aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de pensionkostentoeslag, de reiskostenvergoeding voor een jaarlijkse vakantiereis naar het land van herkomst en zes extra reisdagen.
Tevens is verzocht de wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling.
Bij besluit van 22 maart 2002 heeft het Uwv het WAO-dagloon van appellant per
29 november 1988 verhoogd tot € 71,63. Hierbij is rekening gehouden met een reiskostenvergoeding ad € 682,49 per jaar en een pensionkostentoeslag van € 20,95 per vier weken. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant onder meer aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de zes extra reisdagen, extra vakantiedagen, diverse toeslagen en overuren.
Bij afzonderlijk besluit van 22 maart 2002 heeft het Uwv geweigerd wettelijke rente te vergoeden.
Bij het bestreden besluit van 15 juli 2002 is het bezwaar tegen beide besluiten van
13 maart 2002 ongegrond verklaard.
In beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald en daaraan toegevoegd dat vakantietoeslag moet worden bijgeteld over de reiskostenvergoeding en pensionkostentoeslag.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 juli 2002 vernietigd. Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op de hoogte van het dagloon, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.
Met betrekking tot de vergoeding van wettelijke rente heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 17 februari 1989 als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dat appellant als gevolg van dat besluit schade heeft geleden en dat de schuld en causaliteit zijn komen vast te staan. Volgens de rechtbank is het Uwv op 29 november 2001 aangemaand, zodat wettelijke rente verschuldigd is vanaf een redelijke termijn van 14 dagen na die dag.
Appellant meent primair dat vanaf de datum van toekenning van de WAO-uitkering wettelijke rente verschuldigd is over de nabetaling. Daarbij heeft appellant een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Subsidiair meent appellant dat vanaf 1 januari 1992 wettelijke rente vergoed dient te worden.
Wat de hoogte van het dagloon betreft, heeft appellant zijn in beroep aangevoerde argumenten herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
De wettelijke rente
De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad geoordeeld dat in een situatie als de onderhavige eerst na -een redelijke termijn na- aanmaning wettelijke rente is verschuldigd. De Raad onderschrijft dat oordeel.
Wat het beroep op het gelijkheidsbeginsel betreft heeft het Uwv ter zitting van de Raad op 2 juni 2005, waar een aantal gedingen van voormalige collega’s van appellant is behandeld, toegegeven dat de toekenning van rente aan de personen die voorkomen op een door appellant overgelegde lijst berust op fouten zonder dat er bewust beleid is gevoerd om wettelijke rente vanaf een datum vóór 1992 te vergoeden. De Raad heeft geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt van het Uwv. Gelet ook op het feit dat niet is komen vast te staan dat in meer dan een relatief beperkt aantal gevallen wettelijke rente is vergoed vanaf een datum vóór 1992, acht de Raad het Uwv niet gehouden ook in appellants geval wettelijke rente te vergoeden vanaf een eerdere datum dan de door de rechtbank aangegeven datum.
De dagloonvaststelling heeft plaatsgevonden in 1989. De besluiten die zijn afgegeven vanaf 1 januari 1992 hebben slechts betrekking op de indexering van het in 1989 vastgestelde dagloon, wat (de hoogte van) de dagloonelementen betreft zijn deze besluiten te beschouwen als een vervolg op het onrechtmatig gebleken besluit van
17 februari 1989. Dat betekent dat er ook geen grond is om 1 januari 1992 als ingangsdatum voor de wettelijke rente aan te wijzen.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep op dit onderdeel niet slaagt.
De hoogte van het dagloon
Naar aanleiding van het verzoek van appellant van 29 november 2001 is het Uwv teruggekomen van het besluit van 17 februari 1989.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2005 (LJN: AU0008) is het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn geworden een bevoegdheid en kan de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend worden beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarnaast brengt het feit dat wordt verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit met zich dat het aan appellant is aan te geven waarom de eerdere besluiten niet juist zouden zijn en van zijn stellingen -uiterlijk in de bezwaarfase- het nodige bewijs te leveren. Op na het besluit op bezwaar aangevoerde nieuwe stellingen kan geen acht worden geslagen, hiermee heeft het Uwv bij het nemen van het besluit op bezwaar immers geen rekening kunnen houden.
Rekening houdend met voorgaande uitgangspunten stelt de Raad vast dat hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de vakantietoeslag over de reiskostenvergoeding en pensionkostentoeslag door de Raad niet in zijn overwegingen kan worden meegenomen.
Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de zes extra reisdagen wordt door de Raad ten volle onderschreven. Het door een werknemer verdiende vaste maandloon ondergaat geen wijziging door het feit dat hij zes dagen per jaar minder hoeft te werken dan sommige collega’s. Het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel wordt daardoor niet groter.
Ten aanzien van de CAO-toeslag overweegt de Raad dat appellant niet heeft aangetoond dat hij in de referteperiode een dergelijke toeslag heeft ontvangen.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de hoogte van het WAO-dagloon, in stand heeft gelaten.
Conclusie
De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T Kruls.
JK/3176