ECLI:NL:CRVB:2006:AY6666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van uitspraak inzake WAO-dagloon en wettelijke rente na herziening besluit UWV
Appellant werkte bij een werkgever en ontving vanaf 1988 een WAO-uitkering met vastgesteld dagloon. In 2002 verzocht appellant om herziening van het dagloon, waarbij hij onder meer toeslagen en extra reis- en vakantiedagen aanvoerde. Het UWV verhoogde het dagloon met terugwerkende kracht, maar weigerde wettelijke rente over de nabetaling toe te kennen. De rechtbank vernietigde het besluit over het dagloon, maar liet de rechtsgevolgen in stand en oordeelde dat wettelijke rente verschuldigd was vanaf de aanmaningsdatum.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het terugkomen op een onherroepelijk besluit een bevoegdheid is die terughoudend wordt getoetst. De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor de door hem gestelde toeslagen en dat het financiële voordeel van extra reisdagen niet leidt tot een hoger dagloon. De Raad onderschrijft het oordeel dat wettelijke rente pas na aanmaning verschuldigd is en wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat het UWV erkende dat eerdere rentetoekenningen berustten op fouten.
De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.