ECLI:NL:CRVB:2006:AY6669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vaststelling WAO-dagloon en vergoeding wettelijke rente
Appellant, voormalig werknemer, kreeg in 1988 een WAO-uitkering toegekend met een vastgesteld dagloon. Later verzocht hij om verhoging van het dagloon vanwege toeslagen zoals pensiontoeslag, reiskostenvergoeding, extra vakantiedagen en CAO-toeslag, en om vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling.
Het UWV verhoogde het dagloon met terugwerkende kracht, maar weigerde wettelijke rente te vergoeden. De rechtbank vernietigde het besluit over de rente en oordeelde dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf 14 dagen na aanmaning in 2001. De Centrale Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het UWV terughoudend moet toetsen bij het terugkomen op onaantastbare besluiten.
De Raad oordeelt dat het UWV bij de dagloonvaststelling rekening moet houden met de CAO-toeslag, maar niet met vakantietoeslag over reiskostenvergoeding of extra reisdagen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten, en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit over het dagloon wordt vernietigd voor zover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten en het UWV moet een nieuw besluit nemen; wettelijke rente is pas vanaf 14 dagen na aanmaning verschuldigd.