ECLI:NL:CRVB:2006:AY6682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken zelfstandige rechtsgevolgen van correctienota
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) en een belanghebbende over correcties in de loonadministratie over het jaar 1998. Na een looncontrole legde appellant een correctienota op waarin werd vastgesteld dat niet alle vergoedingen aan werknemers waren verantwoord, waaronder vakantiegeld en feestdagenuitkeringen. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze correcties.
Appellant crediteerde later een deel van de correctie op basis van onderzoeksresultaten, maar verklaarde het bezwaar tegen de creditnota ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond en beval een nieuwe beslissing. Appellant nam vervolgens een besluit van 17 maart 2004 waarin het bezwaar inhoudelijk werd beoordeeld, maar de rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onverenigbaarheid met de schatting van gewerkte uren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de correctienota van 21 januari 2002 geen zelfstandige rechtsgevolgen heeft en daarom niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. Hierdoor is het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk. De Raad vernietigt het besluit van 17 maart 2004 en verklaart het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2002 niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2002 wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de correctienota geen zelfstandige rechtsgevolgen heeft.