ECLI:NL:CRVB:2006:AY7021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering onverschuldigd betaalde toeslag volgens Toeslagenwet
Appellant ontving vanaf 27 november 2000 een voorschot op een WAO-uitkering, gevolgd door een definitieve WAO-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Later werd ook een WW-uitkering toegekend met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2001. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf die datum onverschuldigd toeslag ontving, omdat het totale inkomen de inkomensgrens overschreed.
Het UWV trok de toeslag met ingang van 1 januari 2001 in en vorderde de onverschuldigd betaalde toeslag terug. De rechtbank oordeelde dat appellant tot mei 2001 niet redelijkerwijs kon weten dat de toeslag onterecht was toegekend, maar vanaf die datum wel. Appellant stelde in hoger beroep dat herziening met terugwerkende kracht over die periode niet mogelijk was.
De Raad overwoog dat het UWV op grond van de Toeslagenwet verplicht is besluiten te herzien bij onverschuldigde betalingen en dat het beleid van het UWV hierover niet in strijd is met rechtsbeginselen. Vanaf mei 2001 was het appellant duidelijk dat toeslag onterecht werd verstrekt, zodat herziening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. Voor de periode daarvoor liet de Raad het in het midden, maar het UWV kon de toeslag alsnog verrekenen met de WW-uitkering.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit terecht in stand blijft, maar stelde vast dat de rechtbank haar oordeel over de periode tot mei 2001 niet goed had gemotiveerd. Daarom gaf de Raad appellant gelijk in het hoger beroep en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het UWV mocht de toeslag met terugwerkende kracht herzien en terugvorderen vanaf 1 januari 2001, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellant.