AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Herziening en terugvordering onverschuldigd betaalde toeslag volgens Toeslagenwet
Appellant ontving vanaf 27 november 2000 een voorschot op een WAO-uitkering, gevolgd door een definitieve WAO-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Later werd ook een WW-uitkering toegekend met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2001. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf die datum onverschuldigd toeslag ontving, omdat het totale inkomen de inkomensgrens overschreed.
Het UWV trok de toeslag met ingang van 1 januari 2001 in en vorderde de onverschuldigd betaalde toeslag terug. De rechtbank oordeelde dat appellant tot mei 2001 niet redelijkerwijs kon weten dat de toeslag onterecht was toegekend, maar vanaf die datum wel. Appellant stelde in hoger beroep dat herziening met terugwerkende kracht over die periode niet mogelijk was.
De Raad overwoog dat het UWV op grond van de Toeslagenwet verplicht is besluiten te herzien bij onverschuldigde betalingen en dat het beleid van het UWV hierover niet in strijd is met rechtsbeginselen. Vanaf mei 2001 was het appellant duidelijk dat toeslag onterecht werd verstrekt, zodat herziening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. Voor de periode daarvoor liet de Raad het in het midden, maar het UWV kon de toeslag alsnog verrekenen met de WW-uitkering.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit terecht in stand blijft, maar stelde vast dat de rechtbank haar oordeel over de periode tot mei 2001 niet goed had gemotiveerd. Daarom gaf de Raad appellant gelijk in het hoger beroep en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het UWV mocht de toeslag met terugwerkende kracht herzien en terugvorderen vanaf 1 januari 2001, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellant.
Uitspraak
04/2013 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 maart 2004, 02/2680 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2006. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.F. Bergman.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv.
Het Uwv heeft bij besluit van 22 januari 2001 met ingang van 27 november 2000 een voorschot aan appellant toegekend, op een mogelijk ingaande laatstgenoemde datum aan hem toe te kennen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), ter hoogte van f 97,22 bruto per dag. Dit voorschot was gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en een dagloon van f 150,-. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 8 maart 2001 een WAO-uitkering aan appellant toegekend met ingang van 27 november 2000, berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, van f 24,71 bruto per dag.
In februari 2001 heeft appellant aan het Uwv verzocht een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) aan hem toe te kennen. Bij besluit van 16 maart 2001 heeft het Uwv met ingang van 27 november 2000 aan appellant een toeslag toegekend ter hoogte van f 33,77 bruto per dag. Daarbij is aangegeven dat de samengestelde uitkering (WAO-uitkering en toeslag) vanaf 27 november 2000 f 58,48 bruto per dag bedraagt. Tevens blijkt uit dit besluit dat slechts een toeslag toegekend kan worden wanneer het inkomen van appellant minder bedraagt dan f 112,55 bruto per dag, zijnde het bruto minimumloon per dag.
Nadat appellant in maart 2001 kennelijk had verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft het Uwv bij besluit van 30 april 2001 met ingang van 1 januari 2001 een WW-uitkering aan appellant toegekend ter hoogte van f 102,72 bruto per dag. In mei 2001 heeft het Uwv de aan appellant vanaf 1 januari 2001 verschuldigde WW-uitkering betaald, waarbij kennelijk het onverschuldigd betaalde voorschot op de WAO-uitkering is verrekend. Desgevraagd is aan appellant telefonisch een toelichting gegeven op de nabetaling.
In januari 2002 heeft het Uwv vastgesteld dat vanaf 1 januari 2001 ten onrechte een toeslag aan appellant is betaald, omdat na de toekenning van de WW-uitkering niet is onderkend dat appellant vanaf die datum aan WAO- en WW-uitkering tezamen meer ontving dan het bruto minimumloon. Vervolgens heeft het Uwv bij besluiten van 30 januari 2002 de aan appellant toegekende toeslag met ingang van 1 januari 2001 ingetrokken en de over het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met januari 2002 onverschuldigd betaalde toeslag ad € 4.674,51 van appellant teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 27 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv deze primaire besluiten gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het door het Uwv gehanteerde beleid als vastgelegd in de bijlage bij de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen (Stcrt. 2000, 89, hierna: de Regeling), overwogen dat het appellant in de periode van 1 januari 2001 tot mei 2001 niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte een toeslag ontving, maar dat het hem vanaf mei 2001 wel duidelijk kon zijn dat door de toekenning van de WW-uitkering met terugwerkende kracht de toeslag ten onrechte aan hem werd verstrekt.
Namens appellant is in hoger beroep – onder meer – aangevoerd dat deze conclusie van de rechtbank niet valt te rijmen met het door het Uwv gehanteerde beleid. De vaststelling van de rechtbank dat het appellant gedurende het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met april 2001 niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn, dient naar zijn oordeel in ieder geval te leiden tot de conclusie dat over dit tijdvak geen herziening met terugwerkende kracht mogelijk is.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant over het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met januari 2002 geen recht had op een toeslag ingevolge de TW, zodat over dit tijdvak onverschuldigd een toeslag aan hem is betaald. Tussen partijen is in hoger beroep met name in geschil of het Uwv met recht de aan appellant toegekende toeslag met terugwerkende kracht tot
1 januari 2001 heeft herzien.
Met betrekking tot de herziening van het recht op toeslag merkt de Raad op dat uit artikel 11a, eerste lid van de TW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, het Uwv gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Met betrekking tot de toepassing van deze bepaling hanteert het Uwv het beleid zoals neergelegd in de Regeling. In onderdeel 3 van de bijlage bij de Regeling is ten aanzien van herziening of intrekking, onder meer, het volgende vermeld:
"- Toedoen of redelijkerwijs duidelijk
(…)
Indien het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte uitkering werd verstrekt wordt in beginsel de beslissing herzien of ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verstrekt.
- Niet redelijkerwijs duidelijk
(..)
Indien aan belanghebbende over een periode waarover ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt een andere uitkering wordt verstrekt, wordt de beslissing over eerst bedoelde periode ingetrokken of herzien met ingang van de datum waarop de andere uitkering wordt verstrekt. De ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering wordt met de andere uitkering verrekend; voor zover een hoger bedrag is verstrekt dan het bedrag van de andere uitkering wordt het meerdere niet teruggevorderd."
De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij van 1 januari 2001 tot en met januari 2002 onverschuldigd toeslag ontving.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellant in elk geval vanaf begin mei, toen appellant kennis nam van het besluit van 30 april 2001 waarbij vanaf 1 januari 2001 een WW-uitkering was toegekend ter hoogte van f 102,72 bruto per dag, duidelijk kon zijn dat ten onrechte een toeslag aan hem werd verstrekt.
De Raad kan en zal voorts in het midden laten of het appellant voor de periode vanaf 1 januari 2001 tot begin mei 2001 redelijkerwijs duidelijk was dat hij ten onrechte toeslag ontving. Voorzover al gezegd moet worden dat het ten onrechte verstrekken van toeslag appellant toen (nog) niet duidelijk kon zijn, is de laatste hiervoor aangehaalde alinea van het beleid van het Uwv van toepassing. Uit deze passage van het beleid volgt dat in dat geval na toekenning van een andere uitkering, zoals in dit geval de WW-uitkering, de ten onrechte eerder toegekende uitkering geheel verrekend kan worden, zij het met inachtneming van een hier niet aan de orde zijnde beperking. Het Uwv heeft weliswaar verzuimd om bij de nabetaling van de WW-uitkering, naast het te veel betaalde voorschot op de WAO-uitkering, ook de onverschuldigd betaalde toeslag te verrekenen, doch de Raad vermag uit de hiervoor bedoelde passage niet af te leiden dat het Uwv in zo’n situatie niet meer tot herziening ten aanzien van zo’n tijdvak kan besluiten. Dit betekent dat het Uwv op grond van het hiervoor weergegeven beleid terecht heeft besloten niet af te zien van herziening met volledige terugwerkende kracht.
Ten aanzien van de onverschuldigd betaalde toeslag is het Uwv op grond van artikel 20 vanPro de TW gehouden tot terugvordering. Slechts in geval van dringende redenen is het Uwv ingevolge het vierde lid van artikel 20 vanPro de TW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de –financiële en/of sociale– gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. De Raad moet evenwel constateren dat gesteld noch gebleken is dat appellant ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt, zodat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering afgezien kan worden.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de rechtbank dit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt derhalve (zij het deels met wijziging van gronden) voor bevestiging in aanmerking.
Nu de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen dat het appellant van 1 januari 2001 tot 1 mei 2001 niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte een toeslag ontving, hetgeen gelet op de beleidsregels van het Uwv tot de slotsom had moeten leiden dat de intrekking van de toeslag over dat tijdvak niet in overeenstemming was met die beleidsregels van het Uwv, maar de rechtbank, zonder kenbare motivering, tot een ander oordeel is gekomen, moet de Raad vaststellen dat de aangevallen uitspraak wat dit onderdeel betreft innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk is. Gelet hierop heeft appellant terecht hoger beroep ingesteld. De Raad ziet hierin aanleiding te bepalen dat het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant dient te vergoeden.
Voorts acht de Raad, op dezelfde gronden, termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Deze kosten dienen aan de griffier van de Raad betaald te worden, aangezien ten behoeve van appellant een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep gestorte recht van € 102,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2006.