ECLI:NL:CRVB:2006:AY7082
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst
Betrokkene was sinds 1977 werkzaam bij zijn werkgever en kreeg bij beschikking van de kantonrechter op 19 december 2003 ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen. Na aanvraag van een WW-uitkering werd deze geweigerd omdat betrokkene verwijtbaar werkloos zou zijn geworden, omdat hij zich onvoldoende inhoudelijk zou hebben verweerd tegen het ontslag.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene tegen de weigering van de WW-uitkering gegrond en vernietigde het besluit, omdat onvoldoende was onderzocht of betrokkene inhoudelijk verweer had kunnen voeren en of voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van hem kon worden verlangd.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellant onvoldoende feitelijke onderbouwing gaf voor de stelling dat betrokkene inhoudelijk verweer had kunnen voeren met reële kans van slagen. Diverse verklaringen van betrokkenen en een bedrijfsarts ondersteunen dat betrokkene vanwege beperkingen niet redelijkerwijs verplicht kon worden het dienstverband voort te zetten.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, wijzigt de gronden en veroordeelt appellant in de proceskosten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.