ECLI:NL:CRVB:2006:AY7282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid eigen werk na medische beoordeling
Appellante werkte sinds 1995 als tuinbouwmedewerkster en viel in december 1999 uit wegens klachten aan rug en bekken. Zij ontving vanaf december 2000 een WAO-uitkering, die in mei 2001 werd ingetrokken. Na een periode van werk via een uitzendbureau en een WW-uitkering, meldde zij zich in februari 2003 ziek met rug-, nek- en schouderklachten. Een verzekeringsarts constateerde een discrepantie tussen de klachten en het lichamelijk onderzoek en achtte haar geschikt voor haar werk. Het UWV trok daarom per 20 mei 2003 haar ziekengeld in.
In de bezwaarprocedure werd een lichamelijk onderzoek uitgevoerd door een bezwaarverzekeringsarts, die eveneens concludeerde dat appellante geschikt was voor haar werk. De rechtbank vernietigde het besluit wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV de MAOC-richtlijn niet had gevolgd en haar beperkingen waren onderschat.
De Raad overwoog dat het maatgevende werk het laatst verrichte werk als tuinbouwmedewerkster is. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek was zorgvuldig en in overeenstemming met de MAOC-richtlijn. Het aanvullende rapport van een bezwaararbeidsdeskundige bevestigde de geschiktheid van appellante voor dit werk. Appellante leverde geen aanvullende medische stukken aan. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit dat appellante per 20 mei 2003 geen ziekengeld meer toekomt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 20 mei 2003 geschikt was voor haar werk en daarom geen recht had op ziekengeld.