ECLI:NL:CRVB:2006:AY7474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst - Hagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en maatmaninkomen in hoger beroep WAZ-uitkering
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn arbeidsongeschiktheid per 1 juni 1999 minimaal 65-80% bedroeg en dat het maatmaninkomen hoger moest worden vastgesteld dan door het UWV berekend. Het UWV had bij een nadere beslissing de arbeidsongeschiktheidsklasse vastgesteld op 65-80%, met een maatmaninkomen van f 26,32 bruto per uur, en een mediane resterende verdiencapaciteit van f 8,67 bruto per uur, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van 67,1%.
De Raad overwoog dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd voor een beperking in werktijd en dat het UWV terecht was uitgegaan van voltijds werken. De Raad bevestigde het belastbaarheidspatroon en de gehanteerde functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd. Tevens werd het maatmaninkomen vastgesteld op basis van het gemiddelde nettobedrijfswinst over vijf jaren (1993-1997) in plaats van alleen 1997, omdat dit een reëler beeld geeft.
Appellants argumenten over het niet meenemen van particuliere ziektekostenverzekeringen en het niet in mindering brengen van AA-premies werden verworpen. De Raad concludeerde dat het beroep tegen het nadere besluit van 18 maart 2003 ongegrond is en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk, met vergoeding van het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.