ECLI:NL:CRVB:2006:AY7598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing terugwerkende kinderbijslag voor jongste kind
Appellante ontving kinderbijslag voor haar oudste zoon sinds diens geboorte in 1991, maar vroeg pas in 2003 kinderbijslag aan voor haar jongste zoon, geboren in 1993. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende de kinderbijslag toe met ingang van het tweede kwartaal van 2002, waarna appellante bezwaar maakte tegen deze beperkte terugwerkende kracht. De rechtbank wees het bezwaar af en ook in hoger beroep werd dit standpunt bevestigd.
De Raad overwoog dat het recht op kinderbijslag per kind wordt vastgesteld en dat de aanvraagplicht geldt. Appellante stelde dat er slechts één recht op kinderbijslag zou bestaan, maar dit werd verworpen. Ook werd geoordeeld dat appellante geen bijzonder geval had aangetoond dat een verdergaande terugwerkende kracht zou rechtvaardigen. Zij was bekend met haar aanspraak en had uit diverse communicatie kunnen afleiden dat zij geen kinderbijslag ontving voor haar jongste zoon.
Verder oordeelde de Raad dat de Svb geen verdere onderzoeksplicht had naar een mogelijke aanspraak op kinderbijslag na ontvangst van geautomatiseerde meldingen van de Gemeentelijke Basis Administratie. De beslissing dat kinderbijslag pas vanaf het tweede kwartaal van 2002 werd toegekend, was daarmee terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de kinderbijslag wordt toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2002.