ECLI:NL:CRVB:2006:AY8030
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit over ingangsdatum nabestaandenuitkering op grond van ANW zonder bijzonder geval
In deze zaak staat centraal of de Sociale verzekeringsbank (Svb) terecht heeft besloten de nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) toe te kennen met ingang van 1 augustus 2003, één jaar voorafgaand aan de aanvraagdatum. De Svb baseerde haar besluit op artikel 33, vierde lid, van de ANW, dat bepaalt dat het recht op nabestaandenuitkering niet kan worden vastgesteld over tijdvakken langer dan een jaar voor de aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval.
De appellanten, erven van de betrokkene, stelden dat er wel sprake was van een bijzonder geval, zodat de uitkering met ingang van een eerdere datum had moeten ingaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de omstandigheden onvoldoende gewicht hebben om van een bijzonder geval te spreken. De Raad benadrukte dat onbekendheid met de wettelijke voorschriften geen bijzonder geval oplevert en dat nabestaanden redelijkerwijs geacht worden op de hoogte te zijn van hun rechten onder de ANW.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 november 2005 werd bevestigd. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter T.L. de Vries op 8 september 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen sprake is van een bijzonder geval en wijst het hoger beroep af.