ECLI:NL:CRVB:2006:AY8030

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7061 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 lid 4 ANWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit over ingangsdatum nabestaandenuitkering op grond van ANW zonder bijzonder geval

In deze zaak staat centraal of de Sociale verzekeringsbank (Svb) terecht heeft besloten de nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) toe te kennen met ingang van 1 augustus 2003, één jaar voorafgaand aan de aanvraagdatum. De Svb baseerde haar besluit op artikel 33, vierde lid, van de ANW, dat bepaalt dat het recht op nabestaandenuitkering niet kan worden vastgesteld over tijdvakken langer dan een jaar voor de aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval.

De appellanten, erven van de betrokkene, stelden dat er wel sprake was van een bijzonder geval, zodat de uitkering met ingang van een eerdere datum had moeten ingaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de omstandigheden onvoldoende gewicht hebben om van een bijzonder geval te spreken. De Raad benadrukte dat onbekendheid met de wettelijke voorschriften geen bijzonder geval oplevert en dat nabestaanden redelijkerwijs geacht worden op de hoogte te zijn van hun rechten onder de ANW.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 november 2005 werd bevestigd. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter T.L. de Vries op 8 september 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen sprake is van een bijzonder geval en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

05/7061 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene], (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 november 2005, 05/1428 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], (hierna: betrokkene)
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 8 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens betrokkene heeft J. Scheper, werkzaam bij administratiekantoor J. Scheper te Bodegraven, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Betrokkene is op 8 mei 2006 overleden, waarna appellanten hebben besloten deze procedure voort te zetten.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2006. Namens appellanten is daarbij verschenen J. Scheper, voornoemd. De Svb is, met kennisgeving, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.
Ook in hoger beroep is tussen partijen slechts in geschil of de Svb terecht heeft besloten om eerst met ingang van 1 augustus 2003 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan betrokkene toe te kennen. De Svb heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 33, vierde lid, van de ANW. Ingevolge dit artikellid kan het recht op nabestaandenuitkering niet worden vastgesteld over tijdvakken gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop de Svb de aanvraag heeft ontvangen. In de tweede volzin van dit artikellid is voorts bepaald dat de Svb in bijzondere gevallen bevoegd is af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin. Nu de Svb aan betrokkene nabestaandenuitkering heeft toegekend over het jaar voorafgaande aan de aanvraag om nabestaandenuitkering, spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag of de Svb terecht heeft besloten dat geen sprake is van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld.
De Raad is met de Svb en de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de ANW. Daarbij wijst de Raad erop dat ingevolge vaste jurisprudentie de enkele onbekendheid met wettelijke voorschriften geen bijzonder geval kan opleveren. Voorts is ook de Raad van oordeel dat de door en namens betrokkene aangevoerde omstandigheden onvoldoende gewicht toekomt om aan te nemen dat haar onbekendheid met haar rechten op grond van de ANW verschoonbaar was. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van
18 maart 2005 (USZ 2005/179 en LJN: AT2911) kunnen en behoren nabestaanden, ook zonder dat zij door bepaalde instanties daarover zijn geïnformeerd, redelijkerwijs op de hoogte te zijn van de voor hen bestaande mogelijkheid een nabestaandenuitkering krachtens de ANW aan te vragen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 september 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
GdJ