ECLI:NL:CRVB:2006:AY8051

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1321 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen, maar betaalde het griffierecht niet binnen de gestelde termijn van vier weken, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing door verzet aan te tekenen.

Tijdens de zitting van 5 september 2006 was appellant niet aanwezig en het College van burgemeester en wethouders van Groningen liet zich niet vertegenwoordigen. De Raad overwoog dat appellant geen voldoende aannemelijke redenen had gegeven om het verzuim te rechtvaardigen, zoals een tijdige melding van betalingsonmacht of een verzoek om uitstel van betaling. Ook het indienen van een verzoek om bijzondere bijstand na afloop van de termijn en de mededeling dat het griffierecht later zou worden betaald, waren onvoldoende.

De Raad benadrukte dat het griffierecht geen wezenlijke belemmering vormt voor het recht op toegang tot de rechter en dat het voorschrijven van een betalingstermijn met niet-ontvankelijkheid als sanctie toelaatbaar is. Bij cumulatie van griffierechten kan verlenging worden gevraagd, maar appellant had dit niet tijdig gedaan. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep blijft niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

06/1321 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 februari 2006, 05/733 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 8 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 11 juli 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 11 juli 2006 heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 september 2006, waar appellant niet is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 11 juli 2006 berust kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22, aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 105,-- niet binnen de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 24 april 2006 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dat in zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellant het verzuim niet kan worden tegengeworpen, reeds omdat de gestelde financiële onmacht van appellant uit de stukken niet genoegzaam is kunnen blijken. Voorts heeft appellant in de onderhavige procedure niet binnen de gestelde termijn maar pas in het verzetschrift kenbaar gemaakt dat hij een verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht heeft ingediend bij het College. Hij heeft ook niet voor het einde van die termijn de Raad om uitstel van betaling verzocht. Het feit dat appellant bij brief van 2 juni 2006, na afloop van de gestelde termijn, heeft meegedeeld dat het griffierecht uiterlijk eind juni op de rekening van de Raad zal staan, maakt het voorgaande niet anders. Uit niets blijkt dat appellant de Raad in de onderhavige zaak over de door hem gestelde betalingsonmacht niet tijdig had kunnen informeren.
Van het ingevolge artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht kan niet worden gezegd dat het de in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde toegang tot de rechter wezenlijk belemmert. Niet valt in te zien dat dit artikel de wetgever zou verbieden een betalingstermijn voor te schrijven en aan niet verschoonbare overschrijding van die termijn het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid te verbinden. In geval van betalingsproblemen door een cumulatie van te betalen griffierechten in procedures die binnen korte tijd na elkaar aanhangig worden gemaakt, kan op verzoek de termijn van vier weken worden verlengd. Van een belanghebbende, die met een dergelijke cumulatie wordt geconfronteerd, mag worden verwacht dat hij in (elk van) de procedure(s) waarin hij het griffierecht niet binnen de gestelde termijn van vier weken kan betalen, de rechter voor het einde van de termijn verzoekt om verlenging daarvan. Naar het oordeel van de Raad wordt het wezen van het recht op toegang tot de rechter daardoor niet aangetast.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 september 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M. Pijper.